Eiser, werkzaam als promovendus bij de ZWO tussen 1983 en 1987, werkte mee aan een uitvinding die later werd geoctrooieerd. Hij vorderde een billijke vergoeding wegens gemis aan octrooi op grond van artikel 12, zesde lid, van de Rijksoctrooiwet 1995. Verweerder weigerde deze vergoeding en verklaarde het bezwaar van eiser niet-ontvankelijk dan wel ongegrond.
De rechtbank oordeelde dat de arbeidsrelatie tussen eiser en de ZWO werd beheerst door een arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht en niet door een publiekrechtelijke aanstelling als ambtenaar. Hierdoor zijn rechtsvorderingen op grond van artikel 12, zesde lid, van de Row 1995 civielrechtelijk en dienen zij bij de burgerlijke rechter te worden ingesteld.
De rechtbank vernietigde het bestreden besluit voor zover het bezwaar ongegrond werd verklaard en verklaarde het bezwaar niet-ontvankelijk. Tevens werd verweerder veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht. De uitspraak benadrukt dat de bestuursrechter niet bevoegd is kennis te nemen van de vordering wegens het civielrechtelijke karakter van de arbeidsrelatie.