ECLI:NL:CRVB:2010:BM0956
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- R.M. van Male
- G.M.T. Berkel-Kikkert
- H.C.P. Venema
- Rechtspraak.nl
Afwijzing aanvraag maatschappelijke opvang wegens verblijfsstatus en medische omstandigheden
Appellant, een vreemdeling met de Algerijnse nationaliteit, vroeg meerdere malen om toelating tot maatschappelijke opvang in Rotterdam, maar werd telkens afgewezen vanwege het ontbreken van een geldige verblijfsvergunning en toepassing van artikel 4:6 van Pro de Awb. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, maar de Centrale Raad van Beroep stelde vast dat de aanvraag van 19 december 2007 een nieuw beoordelingsmoment vormde, zodat artikel 4:6 Awb Pro niet van toepassing was.
De Raad oordeelde dat maatschappelijke opvang geen individuele voorziening is en dat de artikelen 10 en 11 van de Vreemdelingenwet 2000 het toepasselijke beoordelingskader vormen. Hoewel appellant rechtmatig in Nederland verbleef op grond van artikel 8 onder Pro h van de Vw 2000, ontbrak een aanspraak op maatschappelijke opvang vanwege het ontbreken van een verblijfsvergunning die dergelijke aanspraken verleent.
Gezien de medische situatie van appellant, die tot de kwetsbare categorie behoort met recht op bescherming van privé- en gezinsleven volgens artikel 8 EVRM Pro, kon de weigering van opvang niet als een faire balans worden beschouwd. De Raad vernietigde het besluit en de uitspraak van de rechtbank en bepaalde dat het College een nieuw besluit moet nemen, waarbij appellant voorlopig tot maatschappelijke opvang wordt toegelaten tot zes weken na het nieuwe besluit.
Uitkomst: Het besluit van het College wordt vernietigd en appellant wordt voorlopig toegelaten tot maatschappelijke opvang.