Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Bestuursrecht
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 3 december 2014 in de zaak tussen
[eiser], te [woonplaats], eiser
Procesverloop
Verweerder heeft dit op 10 juli 2014 aan de rechtbank en eiser toegezonden. Eiser heeft hierop bij brief van 22 juli 2014 gereageerd.
Overwegingen
mr. [X] waarin is weergegeven dat zij betrokken zijn geweest bij de advisering op het bezwaar van eiser. Verweerder heeft voorts overgelegd een raadsbesluit van
19 mei 2010 waarin een negental leden van de commissie bezwaarschriften is benoemd. Verweerder heeft verder ter zitting erkend dat commissie bezwaarschriften inmiddels uit een zestal leden bestaat. Volgens verweerder is de commissie bezwaarschriften ingedeeld in kamers en bestaat de vaste commissie die adviseert in sociale zekerheidszaken uit de leden van de commissie die ook in onderhavige zaak hebben geadviseerd.
14 november 2013. In dit advies is vermeld dat het advies is uitgebracht door drie leden van de commissie. Het advies is ondertekend door de fungerend secretaris en de voorzitter.
8 mei 2012 zich niet compleet in het dossier bevindt. [getuige 2] had er belang bij zijn eigen inkomsten zo laag mogelijk te houden. Daarom is het van belang om het complete proces-verbaal te kennen. Verweerder heeft dit ten onrechte niet aan de gemachtigde van eiser ter beschikking gesteld.
eiser, Rb) dat aan [getuige 2] betaalt, is dat [getuige 2] zijn klanten en wijk nog steeds aan eiser verpacht, zo heeft [getuige 2] verklaard.
[getuige 3] heeft – kort gezegd – verklaard dat eiser sinds ongeveer een jaar/anderhalf jaar, een keer in de twee maanden bij haar de ramen lapt en dat zij hem daarvoor € 10,- per keer contant betaalt. [getuige 3] heeft verder verklaard dat eiser bij haar achterbuurvrouw [getuige 4] de ramen lapt en bij een collega van [getuige 4]. Gelet op deze verklaringen, in samenhang bezien, acht de rechtbank voldoende aannemelijk dat eiser tijdens de gehele periode in geding werkzaamheden als glazenwasser heeft verricht. Dit zijn activiteiten waarover eiser verweerder had moeten informeren.
De rechtbank overweegt dat uit het proces-verbaal blijkt dat [getuige 2] gedurende het verhoor nadere en meer specifieke informatie verstrekt naar aanleiding van de vragen van de sociaal rechercheur. De rechtbank ziet niet zodanige tegenstrijdigheden in de antwoorden dat verweerder deze verklaring niet heeft mogen gebruiken.
Gewoon, het was een open en goed gesprek. Van beide kanten werd er niet omheen gedraaid. Het was eerlijk”. En op de vraag of hij de gestelde vragen in vrijheid, dus zonder toelaatbare druk, heeft kunnen beantwoorden, heeft hij “
ja” geantwoord. De rechtbank ziet dus geen aanleiding om de verklaring van [getuige 2] van 8 mei 2012 buiten beschouwing te laten en meer waarde te hechten aan zijn verklaring ter zitting van 20 november 2014.
Voor zover eiser heeft aangevoerd dat de verklaring onder druk zou zijn afgelegd, verwijst de rechtbank naar de hiervoor onder overweging 12 genoemde uitspraak van de CRvB. Daarbij overweegt de rechtbank dat [getuige 3] ter zitting van 20 november 2014 heeft verklaard dat zij zich weliswaar overvallen voelde door de komst van de sociale recherche en dat zij haar buren niet wilde verlinken, maar dat zij op 8 mei 2012 wel naar waarheid heeft verklaard. De rechtbank ziet dus geen aanleiding om de door [getuige 3] op 8 mei 2012 afgelegde verklaring buiten beschouwing te laten.
Ingeval van schending van de inlichtingenverplichting, ligt het op de weg van betrokkene om aannemelijk te maken dat hij, ondanks schending van de inlichtingenverplichting, vanaf
17 december 2010 recht had op volledige dan wel aanvullende bijstand. Eiser is daarin niet geslaagd. Hij heeft geen deugdelijke en controleerbare administratie bijgehouden van zijn activiteiten. Bij gebreke hiervan is niet duidelijk in welke omvang eiser activiteiten heeft verricht en welke inkomsten hij daarmee heeft genoten of had kunnen genieten. Verweerder was gelet op het voorgaande dan ook bevoegd over te gaan tot intrekking en terugvordering zoals hij heeft gedaan. Hetgeen eiser heeft aangevoerd kan niet worden aangemerkt als dringende redenen op grond waarvan verweerder van terugvordering had moeten afzien.
0,5 punt voor het verschijnen ter nadere zitting van 20 november 2014, met een waarde per punt van € 487,- en een wegingsfactor 1). De rechtbank overweegt hiertoe als volgt.
In de bijzondere omstandigheid dat ter zitting van 10 juni 2014 tussen partijen inhoudelijk niets is verhandeld, ziet de rechtbank aanleiding voor die zitting geen punt toe te kennen. De zitting van 10 juli 2014 dient naar het oordeel van de rechtbank als eerste zitting in deze procedure te worden beschouwd, zodat daaraan 1 punt kan worden toegekend.
Beslissing
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- bepaalt dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand blijven;
- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 44,- aan eiser te vergoeden;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.217,50.