Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
uitspraak van de meervoudige kamer van 20 februari 2015 in de zaken tussen
de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, verweerder
Procesverloop
Overwegingen
Beslissing
- verklaart de beroepen van de opdrachtgevers sub 3 tot en met sub 10 gegrond;
- vernietigt in zoverre de onderscheiden bestreden besluiten van 5, 7 en 24 februari 2014;
- herroept de besluiten van verweerder van 4 oktober 2013, van 7 oktober 2013 en van 12 november 2013, voor zover verweerder daarbij de hoogte van de boetes voor de opdrachtgevers sub 3 tot en met 10 heeft vastgesteld op € 9.500,- respectievelijk op € 5.125;
- bepaalt dat de bedragen van de bij die besluiten opgelegde boetes voor de opdrachtgevers sub 3 tot en met 8 en 10 worden vastgesteld op (telkens) € 4.750,- (zegge: vierduizend zevenhonderdvijftig euro) en voor de opdrachtgever sub 9 wordt vastgesteld op € 2.562,50 (zegge: tweeduizend vijfhonderd twee-en zestig euro en vijftig eurocent);
- bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van de vernietigde besluiten van 5, 7 en 24 februari 2014;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van opdrachtgevers sub 3 tot en met 10 van € 1.461,-;
- bepaalt dat verweerder het door de opdrachtgevers sub 3 tot en met 8 betaalde griffierecht van (telkens) € 328,- en het door de opdrachtgevers sub 9 en 10 betaalde griffierecht van (telkens) € 165,- vergoedt;
- verklaart de beroepen van eiseres sub 1 en van opdrachtgever sub 2 ongegrond.