ECLI:NL:RVS:2011:BT2154
Raad van State
- Hoger beroep
- M.G.J. Parkins-de Vin
- D. Roemers
- A.B.M. Hent
- Rechtspraak.nl
Bevestiging vernietiging boetebesluit Wet arbeid vreemdelingen wegens onduidelijk werkgeversbegrip
De minister legde [wederpartij] een boete van €8.000 op wegens het laten verrichten van arbeid door een vreemdeling zonder tewerkstellingsvergunning. De rechtbank verklaarde het beroep van [wederpartij] gegrond en vernietigde het boetebesluit, waarna de minister hoger beroep instelde bij de Raad van State.
De Raad van State overwoog dat de vreemdeling als werknemer van [bedrijf] moest worden aangemerkt op grond van het EG-Verdrag en het VWEU, omdat hij reële en daadwerkelijke arbeid verrichtte onder gezag en tegen vergoeding. De minister stelde dat [wederpartij] als opdrachtgever ook als werkgever in de zin van de Wav moest worden beschouwd, maar de Afdeling vond dat de minister dit onvoldoende had gemotiveerd en dat het werkgeversbegrip niet zo ruim mag worden uitgelegd dat iedere afnemer van een dienst automatisch werkgever is.
De Raad van State verklaarde het hoger beroep ongegrond, bevestigde de uitspraak van de rechtbank en veroordeelde de minister tot vergoeding van proceskosten. Tevens werd een griffierecht opgelegd aan de minister.
Uitkomst: Het hoger beroep van de minister wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank Breda wordt bevestigd.