Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
tussenuitspraak van de meervoudige kamer van 9 maart 2015 in de zaak tussen
Procesverloop
Overwegingen
Voor zover eiseres heeft willen betogen dat verweerder heeft gehandeld in strijd met het overgangsrecht van artikel 8.9 van de Wmo 2015, slaagt dat betoog niet, nu de eerder toegekende indicatie op 31 december 2014 afliep. Artikel 8.9 van de Wmo 2015 is derhalve niet van toepassing. Evenmin is in dit geval sprake van een inbreuk op een eigendom als bedoeld in artikel 1 Eerste Pro Protocol bij het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Voor de periode na 31 december 2014 had eiseres immers nog geen recht op een voorziening. De beroepsgrond slaagt niet.
Kamerstukken II, 2013/14, 33 841, nr. 3) is – kort weergegeven – de volgende toelichting gegeven.
Te veel vormen van ondersteuning die mensen ook zelf kunnen organiseren, worden uit de collectieve middelen betaald. De regering heeft ervoor gekozen om in te grijpen en daarmee de ondersteuning en zorg voor kwetsbare mensen in de toekomst veilig te stellen. Voor een deel van de mensen zal de verandering ertoe leiden dat zij zijn aangewezen op een meer algemeen of soberder voorzieningenniveau dan zij gewend waren. Ook zullen mensen te maken krijgen met ondersteuning van kortere duur, waarbij de ondersteuning meer dan nu gericht is op het aanleren van vaardigheden en zelfhulp.
3 november 2014 (gespreksverslag herindicatie). Uit het gespreksverslag herindicatie blijkt dat eiseres heeft verklaard dat de situatie is gewijzigd in die zin dat zij nieuwe klachten heeft gekregen; zij is ook allergisch voor stof. In het gespreksverslag herindicatie is bovendien opgenomen dat eiseres medicatie gebruikt waaronder Fexofenadine, waarbij is vermeld “bij allergie, hooikoorts, langdurig ontstoken neusslijmvlies”. In beroep heeft eiseres een verklaring overgelegd van de huisarts van 31 december 2014, waarin staat dat eiseres “sinds enige maanden op ons voorschrift antiallergische medicatie [gebruikt]”. Ter zitting heeft eiseres verklaard dat zij geen andere medische behandeling krijgt voor haar allergieklachten, dan de behandeling door de huisarts. Tevens heeft de gemachtigde van eiseres ter zitting verklaard dat de huisarts heeft verklaard dat een medisch adviseur van verweerder contact met hem kan opnemen voor vragen. Verweerder heeft zich ter zitting hierover op het standpunt gesteld dat de overgelegde verklaring van de huisarts te weinig is om nader onderzoek te doen, maar dat als eiseres met meer medische gegevens komt, verweerder altijd bereid is medisch onderzoek te doen. Het enkel hebben van allergieklachten, betekent niet dat er altijd meer hulp bij het huishouden toegekend moet worden, aldus verweerder.