Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
[verzoeker] h.o.d.n. Restaurant [restaurant], te [vestigingsplaats ], verzoeker(gemachtigden: mr. W. Hendrickx en mr. E. Kok)
de burgemeester van de gemeente Utrecht, verweerder(gemachtigde: H. Leijten).
Procesverloop
Overwegingen
(de bestuurlijke rapportage) overgelegd. Verweerder heeft daarbij een beroep gedaan op artikel 8:29 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en medegedeeld dat uitsluitend de voorzieningenrechter kennis zal mogen nemen van de inhoud hiervan. Bij beslissing van
6 januari 2015 heeft de rechtbank bepaald dat de gevraagde beperkte kennisneming van de bestuurlijke rapportage is gerechtvaardigd. De rechtbank heeft hierbij overwogen dat de bestuurlijke rapportage voor een deel uit politiegegevens bestaat, die herleidbaar zijn tot personen. Voor zover het niet om politiegegevens gaat, is terecht verzocht om geheimhouding, omdat het strafrechtelijk onderzoek in welk kader de bestuurlijke
25 november 2014 en 6 januari 2015, in het restaurant [restaurant] regelmatig, ondanks waarschuwingen, illegaal werd gegokt, wat een gevaar oplevert voor de openbare orde. Verweerder heeft in dit verband aangevoerd dat zijn inspecteurs in 2014 meerdere malen, en op 27 november 2014 voor het laatst, tijdens controles ter plaatse hebben geconstateerd dat er laptops op de bar stonden, waarbij er websites geopend waren waarop gegokt kon worden. Verweerder heeft er verder op gewezen dat middels verschillende verklaringen van getuigen, zoals - volgens verweerder - in de bestuurlijke rapportage is verwoord, in het pand aan de [adres] met regelmaat om grote geldbedragen wordt gespeeld dan wel om veel geld wordt gegokt en dat klanten weten dat er bij verzoeker gespeeld en gegokt kan worden. Volgens verweerder is daarbij van belang dat in het pand van verzoeker aan de [adres] eveneens is geconstateerd dat er illegaal werd gegokt om grote geldbedragen.
14 januari 2014, en daarmee te laat of in ieder geval onnodig laat, beschikbaar is gesteld. Daarnaast heeft verzoeker aangevoerd dat als er al zou zijn gegokt – wat wordt betwist – dit in zeer beperkte mate heeft plaatsgevonden, terwijl dit niet heeft geleid tot enige overlast en verzoeker inmiddels maatregelen heeft genomen ter voorkoming van het gokken in zijn pand. Verzoeker was niet bekend met meldingen over het gokken en er hebben zich bij restaurant [restaurant] niet eerder problemen voorgedaan. Verweerder heeft te rigoureus – en in afwijking van zijn beleid – gehandeld door onmiddellijk over te gaan tot de sluiting en de intrekking van de vergunningen. Er had volgens verzoeker kunnen worden volstaan met minder verstrekkende maatregelen, zoals een waarschuwing en de oplegging van een boete, zeker omdat verzoeker zich al eerder en ook ter zitting bereid heeft verklaard aan voorwaarden van verweerder te zullen voldoen om sluiting te kunnen voorkomen. Verzoeker heeft hierbij gewezen op de bedrijfseconomische gevolgen van de sluiting voor hem en zijn werknemers.
31, eerste lid, aanhef en onder c, van de Drank- en Horecawet is telkens dwingend voorgeschreven dat verweerder de verleende exploitatievergunning dan wel de drank- en horecavergunning intrekt indien zich in de betrokken inrichting feiten hebben voorgedaan, die de vrees wettigen dat het van kracht blijven van de vergunningen gevaar oplevert voor de openbare orde, veiligheid of zedelijkheid. Hierin ligt besloten dat met de geconstateerde feiten – anders dan verzoeker heeft aangevoerd – niet kon worden volstaan met minder verstrekkende maatregelen. Verweerder is daarom terecht overgegaan tot de intrekking van de exploitatievergunning en de drank- en horecavergunning. Dat aan verzoeker gedurende de onderzoeksactiviteiten van verweerder op 28 november 2014, dus kort voor het primaire besluit, een vergunning is verleend voor het bijschrijven van twee leidinggevenden geeft geen aanleiding voor een andere conclusie. Verweerder heeft hierop in het primaire besluit afdoende gemotiveerd gereageerd.
Uit het voorgaande volgt dat verweerder terecht gebruik heeft gemaakt van zijn bevoegdheid tot de intrekking van de exploitatievergunning en de drank- en horecavergunning en dat hij ook in redelijkheid gebruik heeft kunnen maken van zijn bevoegdheid om het restaurant [restaurant] voor de duur van zes maanden te sluiten. Het bezwaar heeft geen redelijke kans van slagen.
Beslissing
27 januari 2015.
mede te ondertekenen)