Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
[gedaagde sub 3], vennoot,
[gedaagde sub 4], vennoot,
Rechtbank Midden-Nederland
In deze zaak stond de vraag centraal of het ontslag van eiseres door gedaagde sub 1 B.V. kennelijk onredelijk was. De kantonrechter beoordeelde eerst het tegenbewijs van gedaagde sub 1 B.V. omtrent de aard van de werkzaamheden van een andere werknemer, mevrouw gedagdesub4, en concludeerde dat het afspiegelingsbeginsel van toepassing was en dat de werknemer hoofdzakelijk koerierswerkzaamheden verrichtte.
Vervolgens werd onderzocht of het ontslag onredelijk was. Eiseres stelde dat zij niet persoonlijk was geïnformeerd over het ontslag, direct op non-actief was gesteld, en dat er geen herplaatsingsinspanningen of begeleiding naar ander werk waren geweest. Gedaagde sub 1 B.V. voerde aan dat de financiële situatie dit rechtvaardigde en dat het ontslag in een persoonlijk gesprek was aangekondigd.
De kantonrechter oordeelde dat het niet informeren vooraf begrijpelijk maar niet onrechtmatig was, maar dat het op non-actief stellen onnodig grievend was en dat het ontbreken van begeleiding naar ander werk een tekortkoming van de werkgever vormde. Hierdoor waren de gevolgen van het ontslag te ernstig in verhouding tot de belangen van de werkgever.
Daarom werd het ontslag als kennelijk onredelijk aangemerkt en werd een schadevergoeding toegekend van €1.500 voor immateriële schade en €6.000 voor het ontbreken van begeleiding naar ander werk. De proceskosten werden gecompenseerd en de vorderingen tegen andere gedaagden werden afgewezen.
Uitkomst: Het ontslag is kennelijk onredelijk en gedaagde sub 1 B.V. moet een schadevergoeding van €7.500 betalen.