Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
1.De procedure
- het vonnis in incident van 30 juli 2014, waarbij een comparitie van partijen in de hoofdzaak is gelast (hierna: het tussenvonnis);
- de conclusie van antwoord in reconventie;
- de ten behoeve van de comparitie door Barclays gezonden brief met productie C1;
- het proces-verbaal van comparitie van 5 december 2014;
- de deponering ter griffie van de originele Guarantee van Barclays op 15 januari 2015;
- de akte na comparitie van Barclays;
- de conclusie na comparitie, tevens houdende producties en uitlating proces-verbaal van [gedaagde];
- de akte uitlating producties en depot van [gedaagde];
- de antwoordakte na comparitie van Barclays, waarbij nog een productie is overgelegd.
2.De feiten
3.De beoordeling
- in de garantie geen “conclusive evidence clause” is opgenomen zodat [gedaagde] naar Engels recht Barclays de aan [bedrijf 1] toekomende weren kan tegenwerpen;
- Barclays de naar Engels recht op haar rustende zorgplicht (“duty of care”) heeft geschonden, door het schip niet meteen na in beslagname uit te winnen; was dat wel gebeurd dan zou immers de vordering op [bedrijf 1] teniet zijn gegaan omdat per 1 juli 2011 het saldo van de lening van [bedrijf 1] € 1.075.659,42 beliep en het schip destijds tenminste een waarde had gelijk aan dit bedrag.