Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
1.Het onderzoek ter terechtzitting
2.Tenlastelegging
3.Voorvragen
4.Waardering van het bewijs
5.De beslissing
spreekt verdachte daarvan vrij.
Rechtbank Midden-Nederland
De rechtbank Midden-Nederland behandelde op 19 juni 2015 de zaak tegen verdachte die werd verdacht van het bezit en de verwerving van kinderporno in twee perioden: augustus 2012 en februari 2013. De officier van justitie vorderde vrijspraak voor het eerste feit wegens onzekerheid over het tijdstip en de hoeveelheid geüpload materiaal, maar achtte het tweede feit wel bewezen op basis van tapinformatie, getuigenverklaring en proces-verbaal.
De verdediging voerde aan dat het dossier ondeugdelijk was, de computer mogelijk gehackt, geen kinderporno op de gegevensdragers was gevonden, verdachte een alibi had en dat het onmogelijk was dat twee IP-adressen tegelijk gebruikt werden. De rechtbank stelde vast dat hoewel er aanwijzingen waren dat kinderporno via het IP-adres van het netwerk in het huis van verdachte was geüpload, niet met voldoende zekerheid kon worden vastgesteld dat verdachte zelf dit had gedaan.
De rechtbank verwierp het verweer van niet-ontvankelijkheid op grond van overschrijding van de redelijke termijn en gebrekkig onderzoek, omdat geen ernstige schending van de procesorde was vastgesteld. Uiteindelijk sprak de rechtbank verdachte vrij van beide ten laste gelegde feiten wegens gebrek aan wettig en overtuigend bewijs.
Uitkomst: Verdachte wordt vrijgesproken wegens onvoldoende wettig en overtuigend bewijs voor bezit en verwerving van kinderporno.