Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
1.Het verloop van de procedure
2.De feiten
Sedert 1 september 2013 is [verweerder] voor een aanzienlijk deel van zijn tijd betrokken bij het ERP LN-project. Dat is de ontwikkeling en implementatie van een concernbreed financieel en administratief automatiserings- en rapportagesysteem. De afspraken in dat kader zijn vastgelegd in een ‘Appendix bij arbeidsovereenkomst’ van 6 augustus 2013. In de uitvoering van zijn werkzaamheden voor het ERP-project is [verweerder] functioneel verantwoording verschuldigd aan de Financial Project Manager. Hiërarchisch blijft hij onder de verantwoordelijkheid van de directie van Socomec vallen, laatstelijk de heer [A] , verder: [A] .
“We hebben je tijdig en veelvuldig geïnformeerd dat je jouw functioneren/gedrag dient te verbeteren. We hebben je in de gelegenheid gesteld – onder meer middels een verbetertraject – jouw functioneren/gedrag te verbeteren en op het vereiste niveau te krijgen. Dat is niet gebeurd. Sterker: uit het evaluatiegesprekken is ons meerdere keren gebleken dat je je niet, althans onvoldoende, hebt ingespannen om het ingezette verbetertraject tot een succes te (kunnen) maken. Je hebt werkinstructies genegeerd en advies/hulp naast je neergelegd. Wij zijn van mening dat je van de beëindiging van het dienstverband een ernstig verwijt kan worden gemaakt, en dat je ter zake de beëindiging geen vergoeding toekomt”.
3.De gronden voor het verzoek tot ontbinding
4.4. De beoordeling van het verzoek en het verweer daartegen
Die feiten blijken uit de beoordeling van 6 januari 2015 niet. Daarmee voldoet de beoordeling niet aan de eisen die men daar redelijkerwijs aan mag stellen.
Dit betekent dat de negatieve beoordeling over 2014 een toetsbare feitelijke basis mist en daarmee in strijd is met goed werkgeverschap.
“In verband met het slecht functioneren is [verweerder] tot aanstaande vrijdag geschorst uit zijn functie!”.
heeft daartegen aangevoerd dat de directe aanleiding voor het verbetertraject was de aanpassing van de checklist. Deze aanleiding rechtvaardigt het opstellen van het onderhavige plan niet. Voorts heeft hij aangevoerd dat zijn werkzaamheden voor 70% betrekking hebben op het ERP project in Frankrijk en dat [A] daar inhoudelijk helemaal niet van op de hoogte was. Dat het hoofd van het ERP project, de heer [C] , bij het verbetertraject betrokken is geweest blijkt niet. Zijn samenwerking met [C] verliep zeer prettig en van hem heeft [verweerder] geen enkele kritiek gekregen.
In het verbeterplan worden echter veel meer aspecten van zijn functioneren genoemd waarvan helemaal niet gebleken is dat er tevoren van enig tekortkomen van [verweerder] sprake is geweest en dat die tekortkoming met [verweerder] besproken is. Dat is in strijd met de verplichting van Socomec om als goed werkgever te handelen.
Dit betekent dat het verbeterplan eigenlijk vooral opgevat moet worden als een allesomvattend voorschrift van de directeur van Socomec over de wijze waarop [verweerder] zijn werkzaamheden dient uit te voeren. Het staat Socomec vrij om van [verweerder] te verlangen dat hij op een bepaalde wijze zijn werkzaamheden verricht.
Echter daar waar die gewenste werkwijze een afwijking is van de eerder positief gewaardeerde wijze waarop [verweerder] gewoonlijk gewend was zijn werkzaamheden te doen, is het aan Socomec om daarover eerst met [verweerder] in gesprek te gaan en daarover duidelijke en wederzijds werkbare afspraken te maken zodat duidelijk is wat van hem wordt verlangd. Door het eenzijdig opstellen van een waslijst aan geboden heeft Socomec deze van haar als zorgvuldig werkgever te verlangen werkwijze niet gevolgd. Bovendien voldoen veel van de aan [verweerder] gegeven instructies niet aan de elementaire eis van duidelijkheid om hem niet nakoming te kunnen verwijten. Om enkele voorbeelden te noemen:
‘alles’kan onmogelijk als een duidelijke uitleg beschouwd worden van wat van hem werd verlangd.
‘medewerker zal zich per direct inspannen om een Arbodienst te contracteren’.