ECLI:NL:RBMNE:2015:9439
Rechtbank Midden-Nederland
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling voortzetting pachtovereenkomst en onderhuurovereenkomst horeca bedrijfsruimte
In deze zaak staat centraal de vraag of de pachtovereenkomst en de onderhuurovereenkomst betreffende een horecabedrijf onlosmakelijk verbonden zijn en hoe de beëindiging van de pachtovereenkomst zich verhoudt tot de onderhuurovereenkomst. De pachtovereenkomst had een looptijd van vijf jaar met een optie tot koop, die door de huurder niet is gelicht. De verhuurder vordert ontbinding van de onderhuurovereenkomst per 1 april 2015.
De kantonrechter stelt vast dat de pachtovereenkomst en de onderhuurovereenkomst samenhangen doordat de pachtovereenkomst betrekking heeft op de exploitatie van het horecabedrijf inclusief inventaris en goodwill, terwijl de onderhuurovereenkomst betrekking heeft op de bedrijfsruimte. De wet (art. 6:215 BW Pro) bepaalt dat bij samenloop van overeenkomsten de bepalingen naast elkaar gelden. De huurbepalingen van artikel 7:290 e.v. BW zijn ook op de pachtovereenkomst van toepassing.
De kantonrechter oordeelt dat de pachtovereenkomst niet eindigt door het niet-gebruik van de koopoptie, maar doorloopt tot 1 april 2020, gelijklopend met de onderhuurovereenkomst. De huurder is gehouden de pachtprijs te voldoen. De vordering tot ontbinding van de huurovereenkomst wordt afgewezen. De vordering tot aanpassing van de koopprijs in de koopoptie wordt eveneens afgewezen, omdat partijen contractsvrijheid hebben en de huurder voldoende gelegenheid had de financiële stukken te onderzoeken.
Uitkomst: De pachtovereenkomst loopt door tot 1 april 2020 en de huurder is gehouden de pachtprijs te voldoen; ontbinding van de onderhuurovereenkomst wordt afgewezen.