Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
1.De procedure
- de stukken behorende tot het dossier in de strafzaak met parketnummer 07.662616-11;
- een conclusie van het openbaar ministerie van 31 maart 2015, met bijlagen;
- conclusies van de raadsman van 6 mei 2015 en 7 mei 2015, met bijlagen;
- een brief van de raadsman van 7 mei 2015;
- een conclusie van het openbaar ministerie van 16 juni 2015;
- een reactie van de raadsman van 7 juli 2015;
- getuige [getuige 1] , gehoord op 15 oktober 2015;
- getuige [getuige 2] e/v [B] , gehoord op 13 november 2015;
- getuige [getuige 3] , gehoord op 13 november 2015;
- [veroordeelde] , gehoord op 19 november 2015;
- getuige [getuige 4] , gehoord op 17 december 2015;
- een conclusie van het openbaar ministerie van 17 december 2015, met bijlagen;
- een e-mail van de officier van justitie van 8 januari 2016.
2.De beoordeling
vijfdelid) van het Wetboek van Strafrecht wordt geschat en dat de rechtbank aan [veroordeelde] de verplichting oplegt tot betaling aan de Staat van dit voordeel, geschat op een bedrag van € 260.905,71. Dit bedrag is berekend op basis van een eenvoudige kasopstelling. [1]
“contante stortingen op de bankrekeningen van betrokkene uiteindelijk niet bij hem zijn blijven ‘hangen’ maar overgeboekt zijn naar derden, en derhalve voor hem geen voordeel hebben opgeleverd”.De raadsman heeft bij conclusie van 7 mei 2015 een concreet onderbouwd standpunt ingenomen met betrekking tot de contante stortingen, opnames en overboekingen en daarbij een concrete berekening met onderliggende stukken overgelegd, met als conclusie dat geen sprake is van wederrechtelijk verkregen voordeel. De officier van justitie heeft bij conclusie van 16 juni 2015 niet inhoudelijk gereageerd op de standpunten van de raadsman en heeft ook ter zitting van 11 januari 2016 desgevraagd meegedeeld niet in staat te zijn inhoudelijk te reageren.