Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
1.De procedure
- de stukken behorende tot het dossier in de strafzaak met parketnummer 07.662620-11;
- een Nadere conclusie van het openbaar ministerie van 1 april 2015, met als bijlage:
- een Conclusie van Antwoord van mr. Jonge Vos van 7 mei 2015;
- een mail van het openbaar ministerie van 19 mei 2015, met bijlagen.
2.De beoordeling
vijfdelid) van het Wetboek van Strafrecht wordt geschat en dat de rechtbank aan [veroordeelde] de verplichting oplegt tot betaling aan de Staat van dit voordeel, geschat op een bedrag van € 63.502,--. Dit bedrag is berekend op basis van:
- [adres] te [woonplaats] in de periode augustus 2003 tot en met mei 2011;
- [adres] te [woonplaats] in de periode januari 2005 tot en met oktober 2011;
medeplegen van) valsheid in geschrift ter financiering en verkrijging van hypothecaire leningen voor de woningen aan de [adres] en de [adres] te [woonplaats] ;
medeplegen van witwassen van de woningen aan de [adres] en de [adres] te [woonplaats] en de aan deze woningen verbonden hypothecaire geldleningen;
gewoontewitwassen van de inkomsten uit verhuur van de woningen aan de [adres] en de [adres] te [woonplaats] .
€ 75.800,-- +
€ 321.212,--
juli2010 maandelijks € 1.002,25 bedroegen. [20] In het rapport van 19 april 2012 is dit bedrag -in het voordeel van [veroordeelde] - als uitgangspunt genomen voor het berekenen van de hypothecaire lasten vanaf
januari2010.
januari2010.
€ 17.038,25 +
€ 290,-- +
€ 4.474,35 +
tweelevensverzekeringen premies heeft voldaan, terwijl dit ook overigens van de zijde van de verdediging niet aannemelijk is gemaakt. De rechtbank houdt daarom rekening met premies betreffende één levensverzekering. Zoals hiervoor is omschreven zijn deze kosten in mindering gebracht op de inkomsten uit verhuur van de [adres] .
€ 157.337,91 +
€ 236.185,49
€ 236.185,49 -/-
€ 5.000,-- voldoende compensatie biedt. Daarbij is rekening gehouden met de specifiek voor ontnemingszaken geldende omstandigheden dat de afdoening van de zaak mede afhankelijk is van de termijn die met de behandeling van de strafzaak is gemoeid en dat na het wijzen van vonnis in de strafzaak op 16 februari 2015 de behandeling van de ontnemingsvordering voortvarend heeft plaatsgevonden.
€ 80.026,51(€ 85.026,51 -/- € 5.000,--) aan de Staat te voldoen.
€ 85.026,51 (vijfentachtigduizend zesentwintig euro en eenenvijftig cent);
€ 80.026,51 (tachtigduizend zesentwintig euro en eenenvijftig cent);