Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
uitspraak van de meervoudige kamer van 8 september 2016 in de zaak tussen
de Centrale Commissie Dierproeven (CCD), verweerder
Procesverloop
Overwegingen
7. De rechtbank overweegt verder het volgende. Aan artikel 10a1, tweede lid, van de Wod ontleent verweerder zijn bevoegdheid om voorschriften aan de projectvergunning te verbinden. Gelet op het bepaalde in artikel 1b, tweede lid, van de Wod is de wet van toepassing op alle dieren die aanwezig zijn bij een fokker, leverancier en gebruiker, behoudens voor zover aannemelijk wordt gemaakt dat de aanwezige dieren voor andere doeleinden aanwezig zijn dan genoemd in het eerste lid. Van het laatste is in dit geval geen sprake, zodat verweerder bij het verlenen van projectvergunningen als bedoeld in artikel 10a van de Wod, ook de in voorraad gedode dieren bij de fokker in zijn afweging moet betrekken. De rechtbank vindt steun voor dit oordeel in de omstandigheid dat het overheidsbeleid er al enkele jaren op is gericht om de aantallen dierproeven en – zoals verweerder ter zitting heeft verklaard – het aantal proefdieren te verminderen. Daarbij is ook steeds aandacht voor het terugdringen van het aantal in voorraad gedode dieren. De rechtbank verwijst hiervoor naar het rapport ‘Dood in voorraad’ van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) van 17 december 2013 en naar het Plan van aanpak dierproeven en alternatieven van 28 februari 2014 van de Staatssecretaris van Economische Zaken (EZ) en de hierop gevolgde voortgangsrapportages van 19 november 2014 en 1 november 2015. In laatstgenoemde vervolgrapportage verwijst de Staatssecretaris van EZ naar een advies van het Nationaal Comité advies dierproevenbeleid van oktober 2015.
“om bij de beoordeling en ethische toetsing van projectvergunningen door de CCD, de CCD de opdracht te geven consequent mee te wegen of de onderzoeker in zijn projectaanvraag aantoonbaar blijk geeft het aspect van dieren “dood of gedood vóór gebruik in fok of dierproef” voldoende te hebben verkend en aantoont dat aantal dieren tot een minimum te hebben beperkt.”.Daarnaast stelt het Nationaal Comité advies dierproevenbeleid dat
“het uitgangspunt moet zijn dat voor wat betreft de sekse in principe beide geslachten geïncludeerd worden in de proefopzet.”De Staatssecretaris van EZ benadrukt in de vervolgrapportage van 1 november 2015 ook het belang van het betrekken van het vraagstuk van het verminderen van het aantal dieren in voorraad gedood door verweerder in zijn ethische toetsing.