Werknemer was werkzaam bij een cateringbedrijf en vorderde betaling van 2162,12 overuren over de periode 2010 tot en met 2015, alsmede salaris over september 2015 en bijkomende kosten. Hij baseerde zijn vordering op eigen urenlijsten en de CAO Horecabedrijf. Werkgever betwistte de omvang van de overuren en stelde dat het dienstverband per 16 september 2015 was geëindigd, terwijl werknemer stelde dat dit per 1 oktober 2015 was.
De kantonrechter oordeelde dat het dienstverband pas per 1 oktober 2015 was geëindigd, omdat werkgever dit niet tijdig en schriftelijk had bevestigd. Vervolgens werd beoordeeld of werknemer aanspraak kon maken op vergoeding van de overuren. De CAO vereist dat overwerk door werkgever is opgedragen, expliciet of impliciet. Werknemer kon onvoldoende aantonen dat werkgever opdracht had gegeven tot het gestelde overwerk.
Werkgever had een urenregistratie overgelegd waaruit bleek dat werknemer in ieder geval 517,59 overuren had gemaakt. De kantonrechter kende betaling toe voor deze uren tegen het door werkgever opgegeven loon, maar wees de rest van de vordering af wegens onvoldoende bewijs. Daarnaast werd werknemer het salaris over september 2015, wettelijke rente, buitengerechtelijke kosten en proceskosten toegekend. Werkgever werd veroordeeld tot het verstrekken van een bruto/netto specificatie onder dwangsom.