Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
1.Het onderzoek ter terechtzitting
2.Tenlastelegging
3.Voorvragen
4.De beslissing
de officier van justitie niet-ontvankelijk in de vervolgingvan verdachte.
Rechtbank Midden-Nederland
In deze strafzaak stond verdachte terecht voor witwassen en opzetheling van geldbedragen in de periode april tot november 2012, gepleegd te Houten, Leeuwarden en Heerenveen. De officier van justitie had verdachte gedagvaard in Midden-Nederland, terwijl verdachte reeds in het arrondissement Rotterdam voor dezelfde feiten werd vervolgd.
Tijdens de terechtzitting op 12 januari 2016 was verdachte afwezig, maar zijn raadsvrouw voerde verweer. Zowel de officier van justitie als de verdediging stelden dat de vervolging in Midden-Nederland niet ontvankelijk moest worden verklaard vanwege de eerdere dagvaarding in Rotterdam. De rechtbank volgde dit standpunt en oordeelde dat het onbehoorlijk en onzorgvuldig was om verdachte in twee arrondissementen voor dezelfde feiten te dagvaarden.
De rechtbank verklaarde de officier van justitie niet-ontvankelijk in de vervolging. De tenlastelegging betrof het witwassen van circa €30.501 en opzetheling van circa €3.571, waarbij verdachte al dan niet in vereniging met anderen handelde. De zaak werd geschorst vanwege de lopende procedure in Rotterdam, waarbij het ne bis in idem-beginsel nog niet van toepassing was.
Het vonnis werd gewezen door de meervoudige strafkamer van de rechtbank Midden-Nederland, waarbij mr. Bender vanwege omstandigheden niet medeondertekende. De beslissing voorkomt dubbele vervolging en waarborgt de zorgvuldigheid in strafprocedures.
Uitkomst: De officier van justitie is niet-ontvankelijk verklaard in de vervolging wegens eerdere dagvaarding in een ander arrondissement.