Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
kantonrechter
1.de verenigingFEDERATIE NEDERLANDSE VAKVERENIGING, RECHTSOPVOLGER VAN ABVAKABO FNV,gevestigd te Amsterdam,hierna te noemen FNV,2. [eiseres sub 2] ,wonende te [woonplaats] ,hierna te noemen [eiseres sub 2] ,3. [eiseres sub 3] ,wonende te [woonplaats] ,hierna te noemen [eiseres sub 3] ,4. DANIELLE [eiseres sub 4] ,wonende te [woonplaats] ,hierna te noemen [eiseres sub 4] ,5. [eiseres sub 5] ,wonende te [woonplaats] ,hierna te noemen [eiseres sub 5] ,eiseressen, hierna te zamen te noemen: FNV c.s.,gemachtigde mr. A. Simsek,
SMALLSTEPS B.V.,
gevestigd te Almere,
gedaagde, hierna ook te noemen: Smallsteps,
gemachtigde mr. B.F.H. Rumora-Scheltema.
1.De procedure
- het incidenteel vonnis van 3 juni 2015
- de conclusie van antwoord
- de conclusie van repliek
- de conclusie van dupliek.
2.De feiten
Algemeen
3.Het geschil
4.De toepasselijke regelgeving en jurisprudentie
5.De beoordeling
“in het kader van een faillissement, dat gericht is op een vereffening van het vermogen van de vervreemder (..)”. Het arrest, in 1987 gevolgd door de Hoge Raad (NJ 1988, 191), heeft nadien geleid tot het huidige artikel 7:666 BW Pro, ingevoerd in 1997. Bij wijziging van de richtlijn in 1998 in art. 4 bis Pro (later art. 5) is een uitzonderingsbepaling opgenomen naar aanleiding van het eerdergenoemde Abels-arrest, waarvan de tekst enigszins taalkundig verschilt met de norm van het Abels-arrest. De richtlijn 2001/23/EG bepaalt in artikel 5:
“In die omstandigheden moet het begrip ‘tijdstip van de overdracht’ in artikel 3, lid 1, van de richtlijn 7 7/187 aldus worden opgevat dat het ziet op het tijdstip waarop de hoedanigheid van de ondernemer die de betrokken entiteit exploiteert, van de vervreemder op de verkrijger overgaat.”,voor het moment van overgang van onderneming in de specifieke situatie van pre-pack opgeld doet, nu het HvJ EU in het Celtec arrest ook heeft overwogen dat
“Overigens overwoog het Hof in punt 26 van het reeds aangehaalde arrest Rotsart de Hertaing dat de overgang van arbeidsovereenkomsten en -verhoudingen als geregeld in artikel 3, lid 1, van richtlijn 77/187 noodzakelijkerwijs plaatsvindt op hetzelfde tijdstip als dat van de overgang van de onderneming en niet naar goeddunken van de vervreemder of de verkrijger naar later kan worden verschoven.”