Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
kantonrechter
Rechtbank Midden-Nederland
De werkgever verzocht de kantonrechter om ontbinding van de arbeidsovereenkomst met de werknemer op grond van disfunctioneren (d-grond) en subsidiair een verstoorde arbeidsverhouding (g-grond). De werknemer was sinds 2007 in dienst en had in de loop der jaren wisselende beoordelingen ontvangen, variërend van 'Needs improvement' tot 'Meets expectations'. Ondanks verbeterplannen en een mediationtraject bleef de werkgever van mening dat het functioneren onvoldoende was, terwijl de werknemer stelde onvoldoende begeleiding te hebben ontvangen.
De kantonrechter oordeelde dat de werkgever onvoldoende concreet had gemaakt waarop het disfunctioneren precies bestond en dat zij te veel de verantwoordelijkheid voor het verbeterplan bij de werknemer had gelegd zonder voldoende sturing en ondersteuning te bieden. Ook was onvoldoende aangetoond dat de arbeidsverhouding ernstig en duurzaam verstoord was. De kantonrechter benadrukte dat de werkgever onvoldoende had onderzocht of herplaatsing mogelijk was en dat er geen redelijke grond was voor ontbinding.
Daarom werd het verzoek tot ontbinding afgewezen en werd de werkgever veroordeeld in de proceskosten van de werknemer. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad verklaard en uitgesproken op 19 januari 2017.
Uitkomst: Het verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst wordt afgewezen wegens onvoldoende onderbouwing van disfunctioneren en verstoorde arbeidsverhouding.