Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
tussenuitspraak van de meervoudige kamer van 3 april 2017 in de zaak tussen
Procesverloop
Overwegingen
- openbaarmaking van de geobjectiveerde verslagen van bijeenkomsten van de ministerraad op 23 juli 2014, 27 juli 2014 en 15 augustus 2014;
Verweerder heeft openbaarmaking van deze documenten bij het primaire besluit integraal geweigerd en deze weigering in bezwaar gehandhaafd.
Eiseres heeft verwezen naar de uitspraak van de ABRvS van 17 februari 2010 (ECLI:NL:RVS:2010:BL4132), waarin de ABRvS heeft geoordeeld dat notulen van de ministerraad op zichzelf genomen niet geheim zijn. De ABRvS heeft in die zaak het beroep van het bestuursorgaan op artikel 45 van Pro de Grondwet en artikel 26, eerste lid, van het reglement van orde voor de ministerraad, opgevat als een pleidooi voor het in vrijheid en ongedwongen kunnen functioneren van de ministerraad. De ABRvS heeft dat pleidooi in die uitspraak verder beoordeeld in het kader van de weigeringsgrond van artikel 11, eerste lid, van de Wob.
Eiseres wordt echter niet gevolgd in haar standpunt dat een bestuursorgaan geen persoonlijke beleidsopvattingen zou kunnen hebben. Uit de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 11, eerste lid, van de Wob en uit vaste rechtspraak, zie bijvoorbeeld de uitspraak van de ABRvS van 1 september 2010 (ECLI:NL:RVS:2010:BN5701), blijkt dat het doel van de in dat artikel neergelegde bescherming van persoonlijke beleidsopvattingen is: de bescherming van de vrije meningsvorming, het belang om in vertrouwelijke sfeer te kunnen "brainstormen" zonder vrees voor gezichtsverlies en het kunnen waarborgen dat bij de primaire vormgeving van het beleid de betrokkenen in alle vrijheid hun gedachten en opvattingen kunnen uiten (Kamerstukken II, 19 859, nr. 3, p. 14 en 38). Onder persoonlijke beleidsopvatting wordt verstaan een opvatting, voorstel, aanbeveling of conclusie van één of meer personen over een bestuurlijke aangelegenheid en de daartoe door hen aangevoerde argumenten. De beroepsgrond dat verweerder als minister-president nooit gebruik zou kunnen maken van de weigeringsgrond van artikel 11, eerste lid, van de Wob, slaagt dus niet.
De rechtbank volgt ook niet het standpunt van eiseres dat het gespreksverslag al gedeeltelijk openbaar is gemaakt, omdat de onderzoekers van de Universiteit Twente hiervan gebruik hebben gemaakt bij het opstellen van hun onderzoeksrapport. Openbaarmaking aan een ieder is – zoals hiervoor onder 12 ook al is toegelicht - wezenlijk anders dan het ter inzage leggen van een document of het laten gebruikmaken van een document voor onderzoek. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat de onderzoekers ook niet geciteerd hebben uit de gespreksverslagen van de sleutelfiguren. Het is dus niet zo dat via het onderzoeksverslag de inhoud uit de gesprekken feitelijk openbaar is gemaakt. Ook deze beroepsgrond slaagt niet.
- nader motiveren op basis waarvan hij het geaccordeerde verslag van het gesprek/de gesprekken die verweerder heeft gevoerd met de onderzoekers van de Universiteit Twente in het kader van het onderzoek ‘Evaluatie Nationale Crisisbeheersingsoperatie Vlucht MH17’ integraal heeft geweigerd. Daar waar verweerder verschillende weigeringsgronden van toepassing acht op verschillende tekstgedeeltes, zal hij daar een splitsing in moeten aanbrengen, zodat de rechtbank kan zien op welke tekstgedeeltes welke weigeringsgrond van toepassing is. Verweerder zal een specifieke belangenafweging in het kader van artikel 10, tweede lid, aanhef en onder g, van de Wob moeten maken. Het kan zijn dat verweerder de weigeringsgrond van artikel 10, tweede lid, aanhef en onder a, van de Wob van toepassing acht op bepaalde tekstgedeeltes. In dat geval zal duidelijk moeten zijn hoe deze tekstgedeeltes de internationale betrekkingen van Nederland raken en welke belangenafweging aan de weigering ten grondslag ligt.
De rechtbank bepaalt de termijn waarbinnen verweerder het gebrek kan herstellen op vier weken na verzending van deze tussenuitspraak.
Beslissing
- houdt iedere verdere beslissing aan.