Uitspraak
200900112/1/H3) is de beslissing om over persoonlijke beleidsopvattingen informatie te verstrekken aan het bestuursorgaan. Indien het op basis van zijn discretionaire bevoegdheid, met het oog op een goede en democratische bestuursvoering, besluit om over persoonlijke beleidsopvattingen informatie te verstrekken, mag het dit slechts in tot personen herleidbare vorm doen indien de betrokkene daarmee heeft ingestemd. Dat neemt evenwel niet weg dat het bestuursorgaan, dat verantwoordelijk is voor de betrokken bestuursvoering, bevoegd is om, los van de bereidheid van betrokkenen om in te stemmen met openbaarmaking, de informatie niet te verschaffen (Kamerstukken II 1986/87, 19 859, nr. 3, p. 38). In dit geval kan, anders dan RTL heeft betoogd, niet worden geoordeeld dat de minister niet in redelijkheid heeft kunnen afzien van gebruikmaking van zijn in artikel 11, tweede lid, van de Wob neergelegde bevoegdheid. In dit verband heeft de minister terecht verwezen naar de in artikel 45 van Pro de Grondwet opgenomen taak van de ministerraad om de eenheid van beleid te bevorderen, de in artikel 26, eerste lid, van het reglement van orde opgenomen geheimhoudingsplicht en naar de kleine kring van deelnemers aan de ministerraad, waardoor ook bij geanonimiseerde verstrekking licht is te achterhalen wie welk standpunt heeft ingenomen. Aan het vragen van de in de tweede volzin van artikel 11, tweede lid, van de Wob bedoelde instemming behoefde de minister dan ook niet toe te komen. Gelet op het bovenstaande, bestaat geen grond voor het oordeel dat de rechtbank onvoldoende is ingegaan op de subsidiaire verzoeken van RTL.