Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
tussenuitspraak van de meervoudige kamer van 4 mei 2017 in de zaak tussen
[eiser 1] , te [woonplaats] (UTR 14/6346-T),
[eiser 2] , te [woonplaats] (UTR 14/6373-T),(gemachtigde: [A] )eisers,
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Laren, verweerder
de provincie Noord-Holland, (gemachtigde: mr. A.F.P. van Mierlo).
Procesverloop
Overwegingen
- de breedte van de verkeersbestemming op de [straatnaam] / [straatnaam] ;
- de breedte van de verkeersbestemming op de op -en afritten naar en van de […] en dan meer specifiek ter plaatse van de bestemming ‘groen’.
De conclusie van het rapport van 3 december 2013 is dat er, mede gelet op de aan de bewoners gedane toezeggingen gedaan voor geluidschermen aan de noordzijde van de […] , geen sprake is van een reconstructie in de zin van de Wgh.
In het rapport van 24 januari 2014 is toegelicht dat bij de woningen [adres] en [adres] (de woningen van eisers) het op grond van de Wm vanwege de […] geldende geluidsproductieplafond (gpp) wordt overschreden. In de memo van 24 maart 2014 is toegelicht dat door een verlenging van het scherm langs de oprit richting Amersfoort met 25 meter en een hoogte van 5 meter wel aan de grenswaarde van het gpp kan worden voldaan.
In de door de provincie overgelegde memo van [naam ingenieursbureau] van 24 november 2014 is, naar aanleiding van hetgeen eisers in beroep hebben gesteld, ook ingegaan op de cumulatieve geluidbelasting ter plaatse van de woning [adres] . Op de zitting van 25 september 2015 heeft de provincie een memo overgelegd van [naam ingenieursbureau] van 22 september 2015 waarin ook de cumulatieve geluidbelasting bij de woning [adres] staat. Uit de overgelegde gegevens blijkt dat de cumulatieve geluidbelasting bij beide woningen op geen enkel meetpunt toeneemt.
In het bestreden besluit is opgenomen dat de provincie heeft besloten om het scherm langs de oprit met 25 meter te verlengen.
verweerder, in het kader van de door hem te verrichten toetsing aan een goede ruimtelijke ordening, een aanvraag niet alleen aan de Wgh en/of de Wm dient te toetsen, maar dat hij de consequenties van de algehele geluidssituatie voor de woon- en leefkwaliteit dient af te wegen. In een situatie zoals hier aan de orde, waarin al sprake is van een uit akoestisch oogpunt aanzienlijk belaste situatie, dient verweerder te motiveren waarom een eventuele toename van de geluidsbelasting, hoe gering ook, desondanks aanvaardbaar is.
Uit de ter zitting van 25 september 2015 overgelegde notitie van [naam ingenieursbureau] van 22 september 2015 blijkt dat verweerder dit niet weerspreekt. Dit betekent, gelet op de genoemde rechtspraak van de ABRvS, dat het, ook indien wordt uitgegaan van de door [naam ingenieursbureau] gehanteerde verkeersintensiteiten, op de weg van verweerder ligt om te motiveren waarom hij deze (geringe) toename ruimtelijk aanvaardbaar acht. Een dergelijke motivering ontbreekt. Het bestreden besluit is om die reden ook in strijd met artikel 3:46 van Pro de Awb genomen.