Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
uitspraak van de meervoudige kamer van 21 april 2017 in de zaak tussen
[eiser] , te [woonplaats] , eiser
de korpschef van politie, verweerder
Procesverloop
Overwegingen
- LFNP-overgangsbesluiten en functiebeschrijvingen met betrekking tot verschillende functies;
- documenten die betrekking hebben op de proceskostenvergoedingen als bedoeld in de artikelen 7:15 en 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht die de eenheid [X] in 2015 heeft voldaan aan […] en de […] ;
- alle primaire beslissingen en beslissingen op bezwaar die de eenheid [X] bekend heeft gemaakt naar aanleiding van een Wob-verzoek in het kalenderjaar 2015, alsmede enig ander document dat hierop betrekking heeft, bijvoorbeeld een verzoek om precisering, een brief waarin de verzoeker is gevraagd welk publiek belang hij/zij heeft bij het verzoek, een brief waarin is meegedeeld dat de beslistermijn wordt verlengd en een brief waarin is meegedeeld dat de beslistermijn (automatisch) is verlengd. Dit verzoek omvat mede, maar is niet beperkt tot, de beslissing (op bezwaar) waarin verweerder (uiteindelijk) vaststelt dat de Wob niet van toepassing is;
- de beslissingen (op bezwaar) bekend gemaakt, al dan niet op basis van een daartoe strekkend verzoek, op grond van het HAP-II loopbaanbeleid, alsmede een overzicht, onder vermelding van het dienstnummer en/of het kenmerk van de beslissing (op bezwaar), van de medewerkers die zijn bevorderd op grond van het HAP-II loopbaanbeleid. Eiser heeft dit verzoek beperkt tot de beslissingen (op bezwaar) van generalisten GGP (schaal 7) die werkzaam waren in de voormalige politieregio’s [X] -Noord en [X] -Zuid die op grond van het HAP-II loopbaanbeleid zijn doorgestroomd naar de functie van senior GGP (schaal 8).
Verweerder heeft verder opgemerkt dat eiser zijn informatieverzoeken door middel van vijf afzonderlijke brieven heeft ingediend en hij ook vier afzonderlijke ingebrekestellingen heeft ingediend. Volgens verweerder getuigt het procesgedrag van eiser niet van doelmatig handelen en heeft eiser een (tijdige) besluitvorming onnodig bemoeilijkt. Ook doet de vaagheid van de verzoeken volgens verweerder afbreuk aan het doel waartoe de verzoeken beweerdelijk zijn ingediend. Verweerder is daarom van mening dat sprake is van misbruik van recht met betrekking tot het indienen van de Wob-verzoeken en het maken van bezwaar.
Wat betreft de door eiser ingediende ingebrekestellingen heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat deze prematuur zijn en deze bovendien niet volgens het daartoe bestemde formulier op de website van de politie zijn ingediend, zodat geen dwangsom is verschuldigd.