ECLI:NL:RVS:2016:157
Raad van State
- Hoger beroep
- P.B.M.J. van der Beek-Gillessen
- D.J.C. van den Broek
- C.M. Wissels
- Rechtspraak.nl
Bevestiging niet-ontvankelijkverklaring beroep wegens misbruik van recht bij Wob-verzoeken
In deze zaak heeft appellant meerdere verzoeken om openbaarmaking ingediend op grond van de Wet openbaarheid van bestuur (Wob) met betrekking tot een verkeersboete. De minister stelde de verzoeken aanvankelijk buiten behandeling vanwege het ontbreken van een machtiging, maar herzag dit later en maakte documenten openbaar. De minister verklaarde het bezwaar niet-ontvankelijk omdat het belang was komen te vervallen.
De rechtbank verklaarde het beroep niet-ontvankelijk wegens misbruik van recht, omdat appellant en haar gemachtigde vele verzoeken en ingebrekestellingen hadden ingediend met als doel de besluitvorming te frustreren en dwangsommen te incasseren. Appellant betoogde dat zij slechts gebruik had gemaakt van haar wettelijke rechten en dat de rechtbank haar niet in de gelegenheid had gesteld haar standpunt over het vermeende misbruik te geven.
De Afdeling oordeelt dat zwaarwichtige gronden vereist zijn voor niet-ontvankelijkverklaring wegens misbruik van recht en dat het doel van de verzoeken relevant is. Gelet op de handelwijze van de gemachtigde, die een 'no cure no pay'-praktijk voert en vele procedures voert met als primair doel dwangsommen te incasseren, is sprake van misbruik van recht. Dit gebruik van bevoegdheden getuigt van kwade trouw en kan aan appellant worden toegerekend. De niet-ontvankelijkverklaring is niet in strijd met artikel 6 EVRM Pro of artikel 47 Handvest Pro. Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: De niet-ontvankelijkverklaring van het beroep wegens misbruik van recht wordt bevestigd en het hoger beroep ongegrond verklaard.