Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
1.Het verloop van de procedure
2.De feiten
3.Het verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst en het verweer
4.De beoordeling van het ontbindingsverzoek
5.De beoordeling van de nevenvorderingen van [verzoekende partij / tevens verwerende partij]
Verklaring voor recht
JAR20132/154).
wettelijkevakantiedagen geldt een verjaringstermijn van 6 maanden na het einde van het kalenderjaar waarin deze zijn verworven (artikel 9.1 CAO). Die CAO-bepaling is in zoverre in overeenstemming met de wettelijke regeling van artikel 7:640a BW. Niet is gesteld of gebleken dat van de uitzonderingssituatie van artikel 9.1 CAO sprake is, namelijk dat de werkgever in overleg met het medezeggenschapsorgaan de oude verjaringstermijn van 5 jaar hanteert. [verwerende partij / tevens verzoekende partij] beroept zich op de CAO, niet op de wet. Of de wettelijke regeling in strijd is met EU-recht doet daarom niet ter zake. De EU Richtlijn 2003/88/EG, waarop [verzoekende partij / tevens verwerende partij] kennelijk doelt, heeft overigens geen directe werking (Gerechtshof ’s-Gravenhage 15 oktober 2013,
JAR2013/279).
bovenwettelijkevakantiedagen en wettelijke vakantiedagen die de werknemer niet in redelijkheid binnen de termijn van 7:640a BW heeft kunnen opnemen, geldt een verjaringstermijn van 5 jaar na de laatste dag van het kalenderjaar waarin de aanspraak is ontstaan (artikel 7:642 BW Pro). Voor een vordering tot
uitbetalingvan die resterende vakantiedagen geldt echter de gewone verjaringstermijn van Boek 3 BW, dat is 5 jaar na het einde van het dienstverband (artikelen 3:307 lid 1 jo. 7:641 lid 1 BW).