Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
uitspraak van de meervoudige kamer van 13 september 2017 in de zaak tussen
Procesverloop
Overwegingen
Op 20 december 2013 heeft een gesprek tussen eiser en de heer [C] , afdelingsmanager ( [C] ), plaatsgevonden over vorenbedoelde door eiser met IP gesloten en ondertekende overeenkomsten.
Bij e-mailbericht van 24 december 2013 is aan het team Invordering, waarvan eiser op dat moment deel uitmaakte, een contactverbod met (medewerkers van) IP opgelegd.
Op 10 januari 2014 heeft verweerder aan BDO de opdracht gegeven een onafhankelijk feitenonderzoek uit te voeren. De bevindingen van dit onderzoek zijn neergelegd in het BDO‑rapport. Op 17 april 2014 heeft eiser een exemplaar van dit rapport ontvangen.
Hangende het onderzoek is eisers schorsing bij verschillende besluiten verlengd tot 1 april 2015. In het verlengingsbesluit van 23 mei 2014 is eiser meegedeeld dat er een aanvullend onderzoek wordt ingesteld naar het ‘lekken van vertrouwelijke informatie’.
Op 21 juli 2014 heeft verweerder aangifte gedaan van onder andere schending van het ambts dan wel beroepsgeheim tegen een onbekende verdachte die IP in het bezit heeft gesteld van vertrouwelijke stukken. Naar aanleiding van deze aangifte is de Rijksrecherche onder leiding van een Officier van Justitie (OvJ) op 25 augustus 2014 een opsporingsonderzoek gestart. Gaandeweg het opsporingsonderzoek zijn er verdenkingen tegen onder anderen eiser gerezen.
Bij brief van 12 juni 2015 heeft de OvJ op verzoek verweerder in het bezit gesteld van het zogenaamde “loop proces‑verbaal” van verbalisant [verbalisant] (loop proces‑verbaal), waarin bepaalde bevindingen uit het opsporingsonderzoek zijn neergelegd.
Bij arrest van 30 december 2016 heeft het Gerechtshof te Arnhem het voormelde strafvonnis met aanvulling van de bewijsoverwegingen in stand gelaten. Op 2 januari 2017 is eiser van het arrest in cassatie gegaan bij de Hoge Raad. De Hoge Raad heeft nog geen arrest gewezen.
De rechtbank leidt uit het strafvonnis, waarvan de rechtbank kennis heeft genomen zoals ter zitting aan partijen is medegedeeld, af dat mevrouw [E] ( [E] ), voormalig leidinggevende van eiser, op 3 maart 2015 heeft verklaard dat zij toegang had tot de map waarin het DB-verslag digitaalwas opgeslagen en dat zij met haar iPhone foto’s van het DB‑verslag heeft gemaakt zoals dat op het computerscherm zichtbaar was.
B: ” Haar, eh het was haar te beschikking gesteld, doordat ze gewoon kon inloggen.
..nou eh… dus op het momentdat ze het aan jou geeft[onderstreping door de rechtbank]
, weet jij, ja maar, dus zij heeft daar geen misdrijf voor hoeven plegen.
.”
B: Kijk…en dat zal misschien voor jullie wel aan de orde komen… dat je, dat je, dat je, eh,vertrouwelijke stukken. Waar vertrouwelijk op stond[onderstreping door de rechtbank]
, voor zover het dan vertrouwelijk was. Maar het warendus persoonlijke stukken van de BDO[onderstreping door de rechtbank]
(fonetisch)aan twaalf anderen verstrekt.
…dan denk ik van , ja ja ik weet niet of een rechter daar zo zwaar aan gaat tillen, […]
B: […]
“Met welk nummer belt hij op?”Waarop [eiser] antwoord:
”Hij belt met een ander nummer.[…] Hierop antwoord [D] :
“Nee, nee, nee, nee… ik heb een prepaid gekocht.”[eiser] antwoord vervolgens:
“Oh, een prepaid is het, ok …nog beter.”
H: “Ja. Voordeel is dat we hebben wel contact gehad via de mail maar verder niets ……”
zijn via de mail gegaan he”
niet??”
.”
Beslissing
mr. E.E.M van Abbe, leden, in aanwezigheid van mr. L.Y. Wong, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 13 september 2017.