Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
uitspraak van de meervoudige kamer van 2 oktober 2017 in de zaak tussen
[eiseres] B.V., te [vestigingsplaats] , eiseres
[derde-partij], te [woonplaats] , gemachtigde: mr. M. Koot.
Rechtbank Midden-Nederland
Eiseres, werkgever van een werkneemster die zich ziek meldde in mei 2014, kreeg een loonsanctie opgelegd door verweerder wegens onvoldoende re-integratie-inspanningen na het ontslag op staande voet van de werkneemster. De werkneemster was niet in staat haar eigen werk te verrichten en er werd vastgesteld dat re-integratie in aangepast werk mogelijk was.
Na het ontslag op staande voet op 30 november 2015, dat later door de kantonrechter werd vernietigd, heeft eiseres volgens verweerder onvoldoende re-integratieactiviteiten verricht, waardoor kostbare tijd verloren ging. Eiseres stelde dat er wel degelijk sprake was van dringende redenen voor het ontslag en dat zij haar verplichtingen had nageleefd, mede gelet op eerdere loonopschorting en waarschuwingen aan de werkneemster.
De rechtbank oordeelde dat eiseres geen deugdelijke grond had om de re-integratieverplichtingen niet voort te zetten, mede omdat het ontslag op staande voet geen stand zou houden en de loonopschorting te kort was om effect te sorteren. De rechtbank bevestigde dat de loonsanctie terecht was opgelegd en verklaarde het beroep ongegrond.
De werkneemster had geen toestemming gegeven voor inzage in medische stukken, waardoor de rechtbank haar oordeel beperkt heeft gemotiveerd om privacy te waarborgen. Het hoger beroep kan worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.
Uitkomst: Het beroep van eiseres tegen de loonsanctie wegens onvoldoende re-integratie-inspanningen wordt ongegrond verklaard.