Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
uitspraak van de meervoudige kamer van 20 maart 2018 in de zaak tussen
RTL Nieuws, als onderdeel van RTL Nederland B.V., te Hilversum, eiseres
de korpschef van politie, verweerder
[advocatenkantoor], te [vestigingsplaats] (gemachtigde: mr. M. van Strien).
Procesverloop
Overwegingen
documenten 2.6 en 2.7, de e-mailwisselingen, kort gezegd, overwogen dat verweerder én niet duidelijk heeft gemaakt op welke passages de weigeringsgrond van artikel 11, eerste lid, van de Wob van toepassing is én in de beroepsprocedure bij de rechtbank Amsterdam over dezelfde documenten heeft gesteld dat de weigeringsgrond van artikel 11, eerste lid, van de Wob niet meer van toepassing zou zijn, waardoor onduidelijkheid is ontstaan over de grondslag voor de weigering om de weggelakte passages openbaar te maken.
documenten 2.8(de facturen van derde-partij en een overzicht van de kosten voor rechtsbijstand door derde-partij) overwogen dat de geheimhoudingsplicht en het daaraan gekoppelde verschoningsrecht van advocaten geen ‘lex specialis’ is die derogeert aan de Wob. Verder heeft de rechtbank, onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 6 maart 2002 (200101294/1, ABkort 2002/232), overwogen dat zij het standpunt van verweerder en derde-partij dat zij onevenredig benadeeld zouden worden in hun concurrentiepositie als de totale bedragen van rechtsbijstand openbaar zouden worden, niet volgt. De rechtbank ziet op dit punt geen verschil in de positie van derde-partij en de landsadvocaat, waar het in die uitspraak om ging. De stelling van verweerder dat dit dossier veel negatieve publiciteit genereert en dat dit nadelig is voor de betrokken politiemedewerkers en hun beleving van de zaak, is naar het oordeel van de rechtbank op zichzelf bezien te weinig reden om de gevraagde informatie te weigeren. Verweerder zal daarom moeten motiveren waarom het prijsgeven van het totale bedrag dat gemoeid is bij de rechtsbijstand van de politieverdachten en politiegetuigen, in de periode van het begin van het project tot aan de datum van het Wob-verzoek van eiseres, voor alle betrokken agenten onevenredig benadelend is.
De omstandigheid dat openbaarmaking van de totale kosten die aan derde-partij zijn betaald tot negatieve publiciteit zal leiden, is een aanname van verweerder. Dit is inderdaad niet ondenkbaar, maar naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder onvoldoende gemotiveerd dat deze benadeling ook onevenredig is. Het feit dat de betrokken politieambtenaren zich niet kunnen verdedigen tegen negatieve media-aandacht maakt dit niet anders. De vraag wat eiseres met een totaalbedrag kan doen, is niet relevant. Dat eiseres naar de mening van verweerder met slechts een totaalbedrag het doel van de Wob, namelijk adequate controle van het bestuur en eventuele misstanden aan de kaak stellen, niet kan dienen, doet niet ter zake. Het belang van openbaarheid staat voorop, en het staat eiseres vrij om het totaalbedrag onder de aandacht van het publiek te brengen, zich daar over uit te laten en er al dan niet conclusies aan te verbinden. Dat openbaarmaking zal leiden tot bedreigingen en verbale en fysieke agressie van het publiek, ook tegen andere dan de bij deze zaak betrokken politieambtenaren, is eveneens een aanname van verweerder, die niet is onderbouwd.
Beslissing
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit, voor zover daarbij de openbaarmaking is geweigerd van het totaalbedrag dat aan rechtsbijstand is betaald;
- herroept het primaire besluit in zoverre;
- willigt het verzoek om openbaarmaking in zoverre in;
- bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het vernietigde deel van het bestreden besluit;