Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
kantonrechter
[verzoekster en tevens verweerster] B.V.,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
verzoekster en tevens verweerster,
wonende te [woonplaats] ,
verweerder en tevens verzoeker,
Rechtbank Midden-Nederland
De zaak betreft een geschil tussen een luchtvaartonderneming en een co-piloot over het bestaan van een arbeidsovereenkomst tijdens de trainingsperiode en de gevolgen van een onregelmatige opzegging. De werknemer volgde eerst een opleiding tot verkeersvlieger en startte daarna een training bij de werkgever. Tijdens de trainingsperiode werd geen salaris betaald, en pas na succesvolle afronding van de Line Training ontstond een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd van één jaar.
De werknemer verrichtte vanaf 17 januari 2017 productieve arbeid, maar volgens de kantonrechter was er toen nog geen arbeidsovereenkomst omdat geen loon werd betaald. De werkgever stelde dat de arbeidsovereenkomst pas op 9 maart 2017 begon, wat werd bevestigd. De werknemer zegde zijn contract onregelmatig op per 1 december 2017, terwijl de overeenkomst geen tussentijdse opzegmogelijkheid bood.
De kantonrechter oordeelde dat de werknemer schadeplichtig is en een vergoeding verschuldigd is gelijk aan het loon over de resterende contractduur. Vanwege de omstandigheden en het beginsel van goed werkgeverschap werd de vergoeding gematigd tot een lager bedrag dan de overeengekomen einddatum zou rechtvaardigen. Daarnaast werd de werknemer een bedrag aan niet-genoten vakantiedagen toegekend. Verzoeken tot betaling van loon over de trainingsperiode en vergoeding van buitengerechtelijke kosten werden afgewezen.
Uitkomst: Werknemer is schadeplichtig wegens onregelmatige opzegging en moet een gematigde vergoeding betalen, terwijl werkgever vakantiedagen en vakantiegeld aan werknemer moet uitbetalen.