Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
uitspraak van de meervoudige kamer van 25 april 2017 in de zaak tussen
[eiser 1] ( [aanduiding eiser 1] ), geboren op [2001] , wettelijk vertegenwoordigd door [A] en [B] en
Zorgkantoor Amersfoort, verweerder
Procesverloop
Tevens heeft verweerder het pgb tot een bedrag van € 23.622,50 teruggevorderd.
Overwegingen
31 december 2011 en [aanduiding eiser 2] over de periode van 1 januari 2008 tot en met 30 juni 2012 (hierna: de perioden in geding). De ouders van eisers hebben van het aan [aanduiding eiser 1] en [aanduiding eiser 2] toegekende pgb zorg ingekocht bij, onder meer, Stichting Vrienden van Tom en/of Onzichtbaar Anders (hierna: VVT). De bestuurder van VVT, mevrouw [C] (hierna: [C] ), is door deze rechtbank bij vonnis van 18 april 2014 (ECLI:NL:RBMNE:2014:1493) strafrechtelijk veroordeeld voor onder meer fraude met pgb-gelden. De rechtbank heeft bewezen verklaard dat [C] samen met budgethouders formulieren waarin pgb werd verantwoord, valselijk heeft opgemaakt, alsmede dat [C] de budgethouders regelmatig expliciet heeft benaderd om het pgb-geld dat ‘over was’ met haar te delen.
- Uit het strafrechtelijk onderzoek komt naar voren dat gelden die op de privé-bankrekening van [C] zijn overgemaakt niet voor zorg aan de budgethouder zijn besteed. Het werd of verdeeld tussen de ouders en [C] of het werd benut voor zorg aan anderen dan de budgethouder in kwestie;
- De ouders van [aanduiding eiser 1] en [aanduiding eiser 2] zijn als verdachte aangemerkt voor het valselijk opmaken van verantwoordingsformulieren op naam van de kinderen. Bij het transactiegesprek taakstraf op 3 september 2014 hebben de heer [A] en mevrouw [B] (ouders van eisers) ieder de verduistering waarvan zij werden verdacht bekend en een werkstraf van 30 uur geaccepteerd;
- De ouders van eisers hebben in de periode in geding in totaal een bedrag van
€ 77.785,00 aan VVT is uitbetaald. Van dit laatste bedrag zijn verschillende bedragen op de privérekening van [C] gestort en tevens diverse bedragen door [C] teruggestort. Dit betekent dat het totaal aan VVT uitbetaalde bedrag minder is dan het totaal verantwoorde bedrag. Daarnaast hebben in 2010 ook terugbetalingen van de rekening van VVT plaatsgevonden. Tussen alle verantwoorde en uitbetaalde bedragen zit een verschil en dit maakt dat het voor verweerder niet objectief controleerbaar is of en hoe het pgb is besteed.
Omdat het vaststellingsbesluit een definitieve aanspraak op financiële middelen vestigt, moet een dergelijk besluit in beperktere mate intrekbaar zijn dan een verleningsbesluit. Ten tijde van de vaststelling kan al worden beoordeeld of de activiteiten hebben plaatsgevonden en de verplichtingen zijn nagekomen. Daarom is in artikel 4:49, eerste lid, onder a, van de Awb bepaald, dat de vaststelling op deze gronden slechts kan worden ingetrokken, voor zover de desbetreffende feiten of omstandigheden het bestuursorgaan bij de vaststelling niet bekend konden zijn (Kamerstukken II, 1993/94, 23 700, nr. 3, blz. 77 en Centrale Raad van Beroep, 16 april 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:1398).
Wat eisers in 11. hebben gesteld betreffen onzekere toekomstige gebeurtenissen en maken niet dat verweerder het belang van handhaving van de niet nagekomen verplichtingen niet heeft kunnen laten prevaleren boven het belang van eisers om van de wijziging en de terugvordering af te zien.
Beslissing
mr. C. Karman, leden, in aanwezigheid van mr. L. Y. Wong, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 25 april 2017.