ECLI:NL:RBMNE:2018:4352
Rechtbank Midden-Nederland
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Korpschef mag dienstauto’s hondengeleiders voor woon-werkverkeer verbieden
Twee hondengeleiders van de politie maakten bezwaar tegen het besluit van de korpschef dat zij geen dienstauto meer mochten gebruiken voor woon-werkverkeer met hun diensthond. De korpschef stelde dat het gebruik van een privéauto verplicht was en bood compensatie via een hogere reiskostenvergoeding en voorzieningen zoals een transportkooi of aanhanger.
De rechtbank stelde vast dat de e-mail waarin het verbod werd aangekondigd als een besluit in de zin van de Algemene wet bestuursrecht moest worden gezien en vernietigde het bestreden besluit. Vervolgens oordeelde de rechtbank inhoudelijk dat het verbod gerechtvaardigd was. Het woon-werkverkeer wordt niet als diensttijd beschouwd, de hond is buiten werktijd geen dienstmiddel en de regeling voorziet in voldoende compensatie.
De rechtbank concludeerde dat het eigendomsrecht van de hondengeleiders niet onrechtmatig werd aangetast en dat de korpschef binnen zijn beleidsvrijheid handelde. Eisers kregen hun betaalde griffierecht terug en de korpschef werd veroordeeld tot betaling van proceskosten. Het beroep werd gegrond verklaard, maar het bezwaar inhoudelijk ongegrond.
Uitkomst: Het gebruik van dienstauto’s voor woon-werkverkeer door hondengeleiders mag worden verboden, met voldoende compensatie en binnen wettelijke kaders.