Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
1.De procedure
- het tussenvonnis van 6 december 2017
- producties 17-18 van Rabobank
- het proces-verbaal van comparitie van 12 januari 2018.
2.Het geschil en de beoordeling
2.842,00(2 punten × tarief € 1.421,00)
Rechtbank Midden-Nederland
De zaak betreft een geschil tussen Coöperatieve Rabobank U.A. en een bestuurder die zich borg had gesteld voor leningen van zijn vennootschap. De vennootschap was failliet verklaard, waarna Rabobank de borg aansprakelijk stelde voor een bedrag van €100.000,-. De echtgenote van de borg had de borgstellingsovereenkomst vernietigd op grond van artikel 1:88 lid 5 BW Pro, stellende dat de borgstelling niet was toegestaan zonder haar toestemming omdat de lening niet ten behoeve van de normale bedrijfsuitoefening was aangegaan.
De rechtbank oordeelde dat de leningsovereenkomsten wel degelijk waren gesloten ten behoeve van de normale uitoefening van het bedrijf, onder meer omdat het ging om herfinanciering van bestaande leningen die oorspronkelijk waren aangegaan voor de aankoop van een bedrijfspand. De stelling dat de lening was bedoeld om een andere aandeelhouder uit te kopen werd onvoldoende onderbouwd en verworpen.
Daarmee was de vernietiging door de echtgenote niet rechtsgeldig en was de borgstellingsovereenkomst geldig. De borg werd veroordeeld tot betaling van €100.000,- plus wettelijke rente vanaf 24 september 2014, alsmede buitengerechtelijke incassokosten en proceskosten. Het vonnis werd uitvoerbaar bij voorraad verklaard.
Uitkomst: De borg wordt veroordeeld tot betaling van €100.000,- met rente en incassokosten; de vernietiging van de borgstellingsovereenkomst door de echtgenote is niet rechtsgeldig.