Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 31 januari 2018 in de zaak tussen
[eiser] , te [woonplaats] , eiser
De Korpschef van Politie Amsterdam-Amstelland, verweerder
Procesverloop
20 november 2014 vernietigd en verweerder opgedragen een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen.
16 december 2016 heeft eiser de rechtbank verzocht het onderzoek te heropenen en nadere stukken overgelegd.
Overwegingen
3 oktober 2014 over een beoordeling boven de norm beschikte en dat de eenheid […] voor de bevorderingsdatum aansluiting zoekt bij de datum waarop sprake is van drie jaar relevante werkervaring. Voor zover verweerder de bevorderingsdatum op bijzondere feiten en omstandigheden heeft gebaseerd, had hij ook per 1 november 2010 bevorderd moeten worden. Ter onderbouwing van dit standpunt heeft eiser verwezen naar de zaak van [A] (UTR 16/3567).
Subsidiair stelt eiser dat hij met ingang van 1 september 2012 dient te worden bevorderd, omdat hij op die datum zijn aanvraag heeft ingediend.
De rechtbank stelt verder vast dat verweerder desgevraagd heeft verklaard dat hij de in het bestreden besluit II gegeven motivering voor de bevorderingsdatum van 1 april 2016 niet begrijpt en dat eiser op een eerdere datum had moeten worden bevorderd. Volgens verweerder dient de ingangsdatum het moment te zijn waarop eiser aan alle voorwaarden voor bevordering voldeed.
“De ingangsdatum van de bevordering naar de functie van Senior GGP is de aanvraagdatum of, in het geval dit eerder is, de datum waarop het bevoegd gezag de afspraken is gaan uitvoeren (uitvoeringsdatum). Indien echter een medewerker al eerder dan de aanvraagdatum of de uitvoeringsdatum materieel aan alle voorwaarden voldeed, is de ingangsdatum van de bevordering de datum waarop aan die voorwaarden werd voldaan, met dien verstande dat de ingangsdatum niet verder terug gaat dan 1 november 2010. Of al op een eerder moment dan de aanvraagdatum of de uitvoeringsdatum sprake was van functioneren boven de norm en verwachte geschiktheid voor de functie van Senior GGP zal duidelijk en ondubbelzinnig uit een recente beoordeling - dat is een beoordeling vastgesteld op 1 november 2008 of later - moeten blijken. Is dat het geval, dan dient de ingangsdatum van de bevordering op dit eerdere moment - zij het niet voor 1 november 2010 - te worden gesteld. Dit geldt ook als de beoordeling, inhoudende dat geen sprake is van functioneren boven de norm en/of verwachte geschiktheid voor de functie van Senior GGP, in rechte geen stand kan houden en uit andere beschikbare stukken duidelijk en ondubbelzinnig blijkt dat al op dat eerdere moment aan de voorwaarden werd voldaan.”
11 maart 2016 (UTR 14/7856), is de rechtbank van oordeel dat daarmee in strijd met de uitvoeringsafspraken is gehandeld. Het bestreden besluit II komt dan ook in aanmerking voor vernietiging wegens een ondeugdelijke motivering.
30 november 2011 tot en met 1 juli 2014;
Daarnaast heeft verweerder in het bestreden besluit II over het criterium verwachte geschiktheid het volgende opgenomen:
Na de uitspraak van de Rechtbank is contact opgenomen met uw toenmalige leidinggevende, de heer [B] , met de vraag naar zijn advies over de verwachte geschiktheid op 31 december 2012. Deze gaf aan moeite te hebben met het ijkmoment31 december 2012. Als de re-integratie destijds goed was ingezet, zou uw functioneren op
1 januari 2013 (de einddatum van de werking van het loopbaanbeleid). De rechtbank beantwoordt die vraag bevestigend en overweegt daartoe als volgt. Allereerst blijkt uit de uitspraak van de CRvB van 21 december 2017 (ECLI:NL:CRVB:2017:4417) dat verweerder als uitgangspunt neemt dat een beoordeling in beginsel geldt voor de gehele periode waarover deze is opgemaakt. De rechtbank kan uit de beoordeling van 3 oktober 2014 niet afleiden dat de totaalscore van negen D-scores uitsluitend ziet op een periode na
1 januari 2013. Uit de toelichting bij de beoordeling van 3 oktober 2014 leidt de rechtbank af dat eiser – in de periode dat hij gedetacheerd was aan het FDO – boven de norm heeft gefunctioneerd, nu daaruit naar voren komt dat men zeer tevreden was over eisers inbreng aan het FDO.
. Niet met zekerheid kan worden gesteld dat hij deze positieve kwaliteiten ook zou hebben getoond wanneer hij op het wijkteam zijn werkzaamheden zou hebben verricht.
30 november 2011 en de periode tussen 30 november 2011 en 1 juli 2014).
of eiser aan het criterium verwachte geschiktheid voldoet door te stellen dat eiser in de afgelopen jaren heeft getoond te kunnen acteren als zijnde senior. Daarbij heeft [B] echter geen concrete periode aangegeven. [B] geeft in de laatste alinea weliswaar aan dat eiser op de ijkdatum van 31 december 2012 niet voldeed aan de vereiste criteria, maar naar het oordeel van de rechtbank sluit de gegeven samenvatting niet aan op wat hij daarvoor over eisers functioneren heeft vermeld en heeft [B] niet inzichtelijk gemaakt hoe hij eisers functioneren heeft vertaald naar het standpunt dat eiser niet aan de vereiste criteria voldeed. Vervolgens heeft [B] in de brief van 15 december 2016 (stuk e), voor zover hier relevant, het volgende verklaard:
3 oktober 2014)
opgemaakte beoordeling, op verschillende punten al bereikt tijdens de periode van detachering bij de afdeling, waaraan Inspecteur [D] als Teamchef leiding geeft.”
1 april 2012 tot en met 31 december 2012 voldeed aan de vereiste criteria voor bevordering tot Senior GGP. De rechtbank vindt hiervoor ook steun in de onder rechtsoverweging 8. genoemde stukken c) en d).
12 december 2016 (stuk d) aan [C] het volgende geschreven:
(AB 2006/94). Eiser heeft hierbij gewezen op een uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van 26 januari 2009 (ECLI:NL:CRVB:2009:BH1009).
negen maanden verstreken. Dit betekent dat de redelijke termijn in de bestuurlijke fase met drie jaar en drie maanden is overschreden. De overschrijding van de redelijke termijn moet geheel worden toegerekend aan de bestuurlijke fase aangezien de rechterlijke fase – die vanaf het beroepschrift van 19 augustus 2016 is gestart – de duur van anderhalf jaar niet heeft overschreden. In beginsel is volgens vaste rechtspraak een vergoeding van immateriële schade gepast van € 500,- per half jaar of een gedeelte daarvan waarmee de redelijke termijn in de procedure als geheel is overschreden. In wat eiser heeft aangevoerd en ter zitting heeft toegelicht, ziet de rechtbank geen aanleiding om van het standaardtarief af te wijken. De rechtbank verwijst naar de uitspraak van de CRvB van 6 april 2017 (ECLI:NL:CRVB:2017:1314). Uit het voorgaande volgt dat verweerder wordt veroordeeld tot het betalen van een schadevergoeding van € 3500,-.
2 punten voor het verschijnen ter zitting van 14 december 2016 en 20 december 2017, met een waarde per punt van € 501,-- met een wegingsfactor 1) als kosten voor verleende rechtsbijstand. Ook moet verweerder het door eiser betaalde griffierecht vergoeden.
Beslissing
mr. L.Y. Wong, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 31 januari 2018.