Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
uitspraak van de meervoudige kamer van 23 augustus 2018 in de zaak tussen
[eiser] , te [woonplaats] , eiser
[derde-partij] B.V., te [vestigingsplaats]
Rechtbank Midden-Nederland
Eiser was werkzaam bij een ex-werkgever en meldde zich ziek vanaf maart 2015. Hij vroeg in december 2016 een WIA-uitkering aan, die door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen werd geweigerd. Tevens werd geen loonsanctie opgelegd aan de ex-werkgever wegens vermeende onvoldoende re-integratie.
De rechtbank behandelde de beroepen tegen beide besluiten samen. De ex-werkgever had volgens de rechtbank voldoende re-integratieverplichtingen nagekomen, waaronder het starten van een traject in spoor 1 en 2, het aanbieden van passende functies en begeleiding via een re-integratiebureau. De rechtbank vond geen aanwijzingen dat de ex-werkgever zich onvoldoende had ingezet.
Ten aanzien van de arbeidsongeschiktheid oordeelde de rechtbank dat eiser minder dan 35% arbeidsongeschikt is, gebaseerd op medische en arbeidskundige rapporten. De door eiser aangevoerde beperkingen werden niet voldoende onderbouwd om het oordeel te wijzigen. De rechtbank volgde het standpunt van de verzekeringsarts bezwaar en beroep dat eiser in staat is om passende functies te verrichten.
De beroepen werden ongegrond verklaard en het verzoek tot schadevergoeding wegens het niet opleggen van een loonsanctie werd afgewezen. De rechtbank wees ook een proceskostenveroordeling af.
Uitkomst: De beroepen van eiser tegen het niet opleggen van een loonsanctie en de weigering van een WIA-uitkering worden ongegrond verklaard.