ECLI:NL:RBMNE:2019:3572

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
12 juli 2019
Publicatiedatum
1 augustus 2019
Zaaknummer
UTR 19/445
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Mondelinge uitspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:6 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid beroep wegens overlijden eiser en ontbreken procesbelang

De zaak betreft een beroep tegen het besluit van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente De Bilt tot afwijzing van een aanvraag om tegemoetkoming in geleden planschade. Mevrouw A, de oorspronkelijke belanghebbende, was op het moment van het instellen van het beroep reeds overleden. Desondanks heeft de gemachtigde, eiser, het beroep pro forma en met aanvullende gronden ingesteld namens mevrouw A zelf, zonder de erven te noemen.

De rechtbank oordeelt dat het beroep niet-ontvankelijk is omdat het niet mogelijk is om namens een overleden persoon beroep in te stellen. De gemachtigde heeft het beroep niet namens de erven ingesteld en de identiteit van de erven is pas na afloop van de beroepstermijn aan de rechtbank bekendgemaakt. Dit is in strijd met vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, die stelt dat dergelijke verzuimen niet herstelbaar zijn.

De rechtbank wijst het verweer van eiser af dat een arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden een andere uitkomst zou rechtvaardigen, omdat in die zaak de identiteit van de belanghebbende binnen de beroepstermijn uit de bijlagen kon worden afgeleid, wat hier niet het geval was.

De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk en ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Partijen zijn gewezen op de mogelijkheid om binnen zes weken hoger beroep in te stellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Uitkomst: Het beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het overlijden van eiseres en het ontbreken van procesbelang.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 19/445

proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de meervoudige kamer van

12 juli 2019 in de zaak tussen

[eiser] , te [woonplaats] , eiser,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente De Bilt, verweerder

(gemachtigde: mr. C.M.E. Janssen).
Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen: ProRail B.V. te Utrecht, gemachtigde: M. Tjallema.

Procesverloop

Bij besluit van 15 februari 2018 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van mevrouw [A] om tegemoetkoming in geleden planschade afgewezen.
Mevrouw [A] is op [2018] overleden.
Bij besluit van 11 december 2018 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van wijlen mevrouw [A] ongegrond verklaard.
Tegen het bestreden besluit is beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 juli 2019. Verschenen zijn de erfgenamen van mevrouw [A] , [B] en [C] , bijgestaan door eiser (hierna: [eiser] ) als hun gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde, bijgestaan door mr. T. ten Have, planschade adviseur. Derde-partij is met bericht van verhindering, niet verschenen.
Na afloop van de zitting heeft de rechtbank – na een korte schorsing – mondeling uitspraak gedaan.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.

Overwegingen

1. De rechtbank geeft hiervoor de volgende motivering.
2. Op de zitting is met partijen gesproken over de ontvankelijkheid van het beroep. Mevrouw [A] is namelijk overleden voordat beroep werd ingesteld. [eiser] stelt zich ter zitting op het standpunt dat hij beroep heeft ingesteld namens de erven van mevrouw [A] .
3. De rechtbank volgt deze stelling van [eiser] niet. [eiser] heeft op 22 januari 2019 pro forma beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Hierin schrijft hij dat hij namens belanghebbende de beslissing op bezwaar heeft ontvangen. Uit de beslissing op bezwaar volgt dat dit mevrouw [A] is. Als bijlage bij het pro forma beroep heeft [eiser] het bestreden besluit meegestuurd en een machtiging van mevrouw [A] met dagtekening 23 december 2016. Uit het voorgaande volgt niet dat het de bedoeling was van [eiser] om beroep in te stellen namens de erven van mevrouw [A] . De namen van de erven worden in het pro forma beroepschrift immers niet genoemd. Dat het beroep niet is ingediend namens de erven wordt bevestigd door de aanvullende gronden van beroep van 1 februari 2019. Daarin schrijft [eiser] dat hij namens zijn klant, [A] , de gronden van beroep indient. Gelet op het voorgaande gaat de rechtbank ervan uit dat [eiser] de bedoeling had beroep in te stellen namens mevrouw [A] . Omdat zij op het moment van het instellen van beroep al overleden was, is het niet meer mogelijk namens haar beroep in te stellen en moet er van uit worden gegaan dat [eiser] op eigen naam beroep heeft ingesteld. Het beroep moet niet-ontvankelijk worden verklaard wegens het ontbreken van procesbelang bij [eiser] .
4. Het beroep zou overigens ook niet-ontvankelijk worden verklaard als de rechtbank wel zou aannemen dat [eiser] beroep heeft ingesteld namens de erven. In dat geval geldt dat [eiser] pas op 24 mei 2019, dus na het verstrijken van de beroepstermijn, een nieuwe machtiging en verklaring van erfrecht heeft overgelegd. Dit betekent dat de identiteit van degene die beroep wil instellen pas na het sluiten van de beroepstermijn duidelijk is geworden. Uit vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) volgt dat een dergelijk verzuim niet herstelbaar is en leidt tot de niet-ontvankelijk verklaring van het beroep. [1] Dat deze rechtspraak, zoals [eiser] stelt, niet zou gelden voor dit soort zaken maar uitsluitend voor zaken met een potentieel grote groep belanghebbenden, volgt naar het oordeel van de rechtbank niet uit deze rechtspraak.
5. Op de zitting heeft [eiser] nog gewezen op een arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 2 juli 2013. [2] Volgens [eiser] kan je uit dit arrest afleiden dat de namen van de erven wel op tijd bekend waren zodat zij als eisers kunnen worden aangemerkt.
6. De rechtbank volgt [eiser] daarin niet. In het arrest waarnaar [eiser] verwijst is sprake van een andere situatie. Het Gerechtshof is overgegaan tot ontvankelijk verklaring van het beroep omdat uit de bijlagen bij het beroepschrift – dat was ingediend binnen de beroepstermijn – de identiteit van de belanghebbende kon worden afgeleid. Daarvan is in dit geval geen sprake. Zoals overwogen, is pas met het overleggen van de machtiging van de erven en de verklaring van erfrecht de identiteit van de erven bekend gemaakt aan de rechtbank. Dit was na het verstrijken van de beroepstermijn.
7. Het beroep is niet-ontvankelijk. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
8. Partijen zijn op de zitting gewezen op de mogelijkheid om tegen deze uitspraak in hoger beroep te komen. Het instellen van hoger beroep kan op de manier zoals onderaan dit proces-verbaal staat omschreven.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.C. Moed, voorzitter, en mr. R. in 't Veld en
mr. E.C. Matiasen, leden, in aanwezigheid van mr. C.H. Verweij, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 12 juli 2019.
griffier voorzitter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending van het proces-verbaal daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Voetnoten

1.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de ABRvS van 20 juli 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2031.