De moeder verzocht de rechtbank om een e-mail van de gecertificeerde instelling (GI) te erkennen als een schriftelijke aanwijzing in de zin van artikel 1:265f BW en deze geheel of gedeeltelijk vervallen te verklaren. Tevens verzocht zij om een omgangsregeling vast te stellen waarbij zij eenmaal per vier weken een dagdeel omgang met haar minderjarige kind zou hebben.
De rechtbank stelde vast dat het ouderlijk gezag gezamenlijk wordt uitgeoefend en dat de minderjarige sinds oktober 2016 bij de vader woont. De hoofdverblijfplaats was eerder door de rechtbank en het hof bij beschikking vastgesteld. De regie van de omgang lag volgens eerdere beschikking bij de GI, die wijzigingen in de omgang mocht aanbrengen in het belang van het kind.
De rechtbank oordeelde dat de e-mail van de GI geen schriftelijke aanwijzing is zoals bedoeld in artikel 1:265f BW, omdat dit artikel alleen ziet op kinderen die uit huis geplaatst zijn, wat hier niet het geval is. De GI handelde binnen haar bevoegdheid en niet in strijd met het recht. De verzoeken van de moeder werden daarom afgewezen.