De rechtbank Midden-Nederland behandelde op 29 oktober 2019 de zaak tegen een minderjarige verdachte die werd beschuldigd van ontuchtige handelingen met zijn nichtje, die destijds tussen de 11 en 12 jaar oud was. De tenlastelegging betrof twee feiten: seksuele handelingen met een minderjarige tussen 12 en 16 jaar (feit 1) en met een minderjarige jonger dan 12 jaar (feit 2). De rechtbank sprak verdachte vrij voor het tweede feit voor de periode vóór 1 december 2017 wegens gebrek aan bewijs.
Het bewijs bestond uit verklaringen van het slachtoffer en haar moeder, waarin gedetailleerd werd beschreven dat verdachte seksuele handelingen pleegde, waaronder het binnendringen van het lichaam van het slachtoffer met zijn penis en vingers. Verdachte erkende de feiten grotendeels. De rechtbank oordeelde dat er geen sprake was van een affectieve relatie of vrijwilligheid en dat het ontuchtige karakter van de handelingen vaststond.
Psychologisch onderzoek toonde aan dat verdachte een gebrekkige cognitieve ontwikkeling heeft, wat leidde tot verminderd toerekeningsvatbaarheid. De rechtbank hield hier rekening mee bij de strafoplegging. De straf bestond uit een voorwaardelijke jeugddetentie van twee maanden met een proeftijd van twee jaar en een taakstraf van 80 uur. Daarnaast werd een bijzondere voorwaarde opgelegd: de maatregel Toezicht en Begeleiding, gericht op passende dagbesteding en behandeling.
De benadeelde partij vorderde immateriële schadevergoeding, maar de rechtbank verklaarde deze vordering niet-ontvankelijk wegens onvoldoende onderbouwing en verwees de zaak naar de burgerlijke rechter. De rechtbank veroordeelde verdachte tevens tot vergoeding van de kosten van verweer tegen deze vordering.