ECLI:NL:RBMNE:2019:6088

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
17 december 2019
Publicatiedatum
20 december 2019
Zaaknummer
AWB - 19 _ 90
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 58 PwArt. 58 WWBArt. 82 Abw
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Terugvordering bijstand bij langstlevenden testament en onverdeelde nalatenschap

Eiseres ontving vanaf 2011 bijstand en maakte aanspraak op een erfenis na het overlijden van haar moeder in 2016, die een langstlevenden testament had opgesteld. De vader van eiseres, als langstlevende, had de beschikking over de nalatenschap tot zijn overlijden in 2018. Verweerder stopte de bijstand per 1 mei 2018 en vorderde terugbetaling van bijstand over de periode vanaf het overlijden van de moeder tot mei 2018.

Eiseres betwistte de terugvordering over deze periode omdat zij pas na het overlijden van haar vader over de erfenis kon beschikken. De rechtbank stelde vast dat de wet en jurisprudentie bepalen dat de aanspraak op het erfdeel ontstaat bij het overlijden van de eerste ouder, ook als feitelijke beschikking later plaatsvindt.

De rechtbank benadrukte dat de terugvordering gebaseerd is op artikel 58 Pw Pro, dat ook aanspraken omvat waarop nog niet feitelijk kan worden beschikt, zoals bij een onverdeelde boedel. Verweerder heeft bij de terugvordering rekening gehouden met de daadwerkelijk ontvangen middelen. Het beroep van eiseres is daarom ongegrond verklaard.

Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en bevestigt dat terugvordering van bijstand mogelijk is vanaf het overlijden van de eerste ouder.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 19/90

uitspraak van de meervoudige kamer van 17 december 2019 in de zaak tussen

[eiseres] , te [woonplaats] , eiseres

en
het dagelijks bestuur van de Regionale Dienst Werk en Inkomen Kromme Rijn Heuvelrug, verweerder
(gemachtigde: E. Heij).

Inleiding

1. Eiseres kreeg vanaf 21 juli 2011 een bijstandsuitkering.
2. De moeder van eiseres is op [overlijdensdatum 1] 2016 overleden. Bij leven heeft de moeder van eiseres een zogenoemd langstlevende testament opgemaakt. Daarbij zijn haar echtgenoot (de vader van eiseres) en haar kinderen tot haar erfgenamen benoemd. Zij heeft alle goederen en rechten die tot de nalatenschap behoren toebedeeld aan haar echtgenoot en aan haar kinderen een vordering wegens overbedeling ten laste van haar echtgenoot en ten bedrage van ieders erfdeel. Zij heeft daarbij bepaald dat de vorderingen wegens overbedeling van de kinderen pas opeisbaar zijn bij overlijden van haar echtgenoot.
3. De vader van eiseres is op [overlijdensdatum 2] 2018 overleden. Eiseres heeft verweerder er op 30 april 2018 van op de hoogte gebracht dat zij een erfenis verwachtte.
4. Per 1 mei 2018 heeft verweerder de uitbetaling van de bijstandsuitkering gestopt. In het besluit van 9 augustus 2018 heeft verweerder het recht op bijstand van eiseres ingetrokken met ingang van 1 mei 2018 en de bijstand herzien over de periode van [overlijdensdatum 1] 2016 tot 1 mei 2018.
5. Op 23 augustus 2018, 27 augustus 2018 en op 28 augustus 2018 heeft eiseres geldbedragen ontvangen uit de nalatenschap van haar ouders. In totaal heeft zij een bedrag van € 132.859,67 ontvangen.
6. Op 12 september 2018 heeft verweerder een bedrag van € 17.266,42 aan betaalde bijstand over de periode van [overlijdensdatum 1] 2016 tot en met 30 april 2018 van eiseres teruggevorderd. In het besluit van 17 september 2018 wordt het besluit van 12 september 2018 ingetrokken en wordt een bedrag van € 16.826,42 van eiseres teruggevorderd.
7. Eiseres heeft bezwaar gemaakt tegen de besluiten van 9 augustus 2018 en van 17 september 2018. In het besluit op bezwaar van 26 november 2018 (bestreden besluit) heeft verweerder het besluit van 9 augustus 2018 ingetrokken. Het bezwaar tegen het besluit van 17 september 2018 is gedeeltelijk gegrond verklaard. Verweerder vordert een bedrag van
€ 15.229,28 van eiseres terug. Op 5 januari 2019 heeft eiseres beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
8. De zitting bij de rechtbank was op 5 november 2019. Eiseres is verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

9. Eiseres voert aan dat de aanspraak op de erfenis niet is ontstaan op het moment van het overlijden van haar moeder. Zij kon daar toen niet over beschikken. In het langstlevende testament dat haar moeder heeft opgesteld is bepaald dat haar vader de beschikking kreeg over alle goederen en rechten. Eiseres kreeg pas de beschikking over de erfenis van haar moeder toen haar vader overleed. Het is onjuist en onlogisch dat verweerder toch bijstand terugvordert over de periode van [overlijdensdatum 1] 2016 tot [overlijdensdatum 2] 2018. Eiseres is het niet eens met de wet en de jurisprudentie op dit punt. Zij heeft onderzoek vanuit meerdere invalshoeken verricht en zij is op de hoogte van de actuele rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB). Zij voert aan dat deze rechtspraak niet juist is omdat de vooronderstellingen waarvan wordt uitgegaan niet overeenkomen met de feitelijke situatie en ook niet logisch zijn. Eiseres verzoekt de rechtbank dan ook:
  • de feitelijke en concrete uitwerking van de wet voorrang te geven boven de formulering in (naar de rechtbank begrijpt) boek 4 van het Burgerlijk Wetboek waarin het erfrecht is geregeld,
  • de vordering op haar vader te laten ontstaan op het moment van zijn overlijden,
  • de wet op dit punt in overeenstemming te brengen met de feitelijke uitwerking ervan.
10. De rechtbank stelt vast dat eiseres niet betwist dat het besluit in lijn is met de wet en de jurisprudentie.
11. Over het verzoek van eiseres aan de rechtbank om de wet op dit punt aan te passen overweegt de rechtbank het volgende. Zoals ook op de zitting is besproken toetst de rechtbank besluiten die bestuursorganen nemen aan bestaande wet- en regelgeving en de uitleg die daaraan in de jurisprudentie is gegeven. De wetten worden gemaakt door de (gekozen) volksvertegenwoordiging. De rechtbank kan de wet niet zelf aanpassen en om die reden moet het verzoek van eiseres worden afgewezen.
12. In artikel 58, tweede lid, aanhef en onder f, ten eerste, van de Pw staat het volgende:
Het college van de gemeente die de bijstand heeft verleend kan kosten van bijstand terugvorderen, voorzover de bijstand: anderszins onverschuldigd is betaald, waaronder begrepen dat: de belanghebbende naderhand met betrekking tot de periode waarover bijstand is verleend, over in aanmerking te nemen middelen als bedoeld in paragraaf 3.4 beschikt of kan beschikken.
13. Het is vaste rechtspraak van de CRvB [1] dat artikel 58, tweede lid, onder f, ten eerste van de Pw een zelfstandige terugvorderingsgrondslag biedt als bepaalde middelen of aanspraken daarop aanwezig zijn, maar daarover feitelijk nog niet kan worden beschikt. Zodra over die middelen kan worden beschikt, kan tot terugvordering over worden gegaan. Verder heeft de CRvB geoordeeld dat de aanspraak op een erfdeel ontstaat op het tijdstip van overlijden van de erflater.
14. Dat artikel 58, tweede lid, aanhef en onder f, ten eerste, van de Pw ook gaat over de situatie waarin aanspraken aanwezig zijn waar nog niet feitelijk over kan worden beschikt, zoals bij een onverdeelde boedel, blijkt uit de wetsgeschiedenis. Artikel 58, tweede lid, aanhef en onder f van de Pw heeft dezelfde tekst als artikel 58, eerste lid, aanhef en onder f, van de Wet Werk en Bijstand (WWB). Uit de wetsgeschiedenis van de WWB blijkt dat met artikel 58 van Pro de WWB wordt aangesloten bij artikel 82 van Pro de Algemene bijstandswet (Abw). [2] In de Memorie van Toelichting bij dit laatste artikel staat dat dit artikel een terugvorderingsgrond geeft als bepaalde middelen of aanspraken daarop aanwezig zijn, maar daarover feitelijk nog niet of niet volledig kan worden beschikt. [3] Dit betekent dat in de jurisprudentie is aangesloten bij de bedoeling van de wetgever. Dat eiseres feitelijk niet over het erfdeel uit haar moeders nalatenschap kon beschikken en dat bij het overlijden van haar moeder niet bekend was hoeveel eiseres zou ontvangen uit haar moeders nalatenschap omdat haar vader de beschikking kreeg over alle goederen en rechten en daarmee bevoegd was de erfenis ‘op te maken’, betekent niet dat de aanspraak niet is ontstaan. Bij het overlijden van haar moeder kreeg eiseres een geldvordering op haar vader. Deze vordering was een schuld van haar vader en moest als zodanig na het overlijden van de vader als eerste uit de nalatenschap worden betaald. Eiseres had een aanspraak op middelen waarover zij feitelijk nog niet kon beschikken.
Juist op deze situatie ziet artikel 58, tweede lid, aanhef en onder f, van de Pw. Dit betekent dat de stelling van eiseres dat verweerder alleen mag terugvorderen over de periode vanaf het overlijden van haar vader op [overlijdensdatum 2] 2018 niet kan slagen. Verweerder mag terugvorderen tot het moment dat de aanspraak op het erfdeel uit haar moeders nalatenschap ontstond, dat was toen de moeder van eiseres overleed op [overlijdensdatum 1] 2016. Achteraf wordt rekening gehouden met de later ontvangen middelen. Dat eerder verleende bijstand wordt teruggevorderd hangt samen met het complementaire karakter van de Pw. Bij de terugvordering moet verweerder wel rekening houden met de (hoogte van) de middelen die eiseres daadwerkelijk heeft ontvangen. Dit heeft verweerder gedaan. De beroepsgrond van eiseres slaagt niet.
15. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. E.E.M. van Abbe, voorzitter, en mr. S.G.M. Buys en
mr. G.P. Loman, leden, in aanwezigheid van mr. C. ten Klooster, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 17 december 2019.
griffier voorzitter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.

Voetnoten

1.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 5 maart 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:856
2.Kamerstukken II, 2002-2003, 28870, nr. 14, p. 5
3.Kamerstukken II, 1991-1992, 22545, nr. 3, p. 172