ECLI:NL:CRVB:2019:856
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging terugvordering bijstand wegens erfdeel met peildatum vermogen
Appellante ontving vanaf 27 februari 2014 bijstand op grond van de Participatiewet. In mei 2016 ontving zij een erfdeel uit de nalatenschap van haar moeder, overleden in februari 2014. Het dagelijks bestuur stelde vast dat dit erfdeel, teruggeplaatst naar het tijdstip van overlijden, het vrij te laten vermogen overschreed en vorderde daarom terugbetaling van bijstandskosten.
De rechtbank wees het beroep van appellante af en bevestigde de terugvordering. In hoger beroep stelde appellante dat zij geen aanspraak had op het erfdeel vóór afwikkeling vanwege een schuld aan haar moeder, die bij de boedelverdeling was verrekend.
De Raad oordeelde dat de aanspraak op het erfdeel ontstond op het moment van overlijden van de moeder, en dat de schuld niet als negatief vermogen bij aanvang van de bijstand kon worden meegeteld. De terugvordering was daarom terecht en het hoger beroep werd ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de terugvordering van bijstand wordt bevestigd.