Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
uitspraak van de meervoudige kamer van 19 december 2019 in de zaak tussen
[eiser] , te [woonplaats] , eiser
[verweerder] , verweerder
Procesverloop
Overwegingen
1) een e-mailbericht van Martine Korevaar (de bedrijfsarts) van 27 juni 2019, en
2) een advies van J.K. van der Veer ( Van der Veer ), werkzaam als psychiater bij DC Expertise Centrum van 23 juli 2019. Aan Van der Veer heeft verweerder – bij wijze van second opinion – de vraag voorgelegd of uit de overgelegde medische informatie kan worden afgeleid dat eiser als gevolg van zijn psychische problematiek de ontoelaatbaarheid van zijn gedrag niet kon inzien en niet overeenkomstig dat inzicht kon handelen. Volgens verweerder heeft Van der Veer geconcludeerd dat dit niet uit de door eiser overgelegde medische stukken kan worden afgeleid. Op grond hiervan stelt verweerder dat het plichtsverzuim eiser valt toe te rekenen.
1) het rapport Skils van april 2016, en
2) informatie van een andere behandelaar (4-2016).
Zij beschikte niet over het interventieadvies van de toenmalige bedrijfsarts A. Reus van
18 februari 2016, maar alleen over informatie van de andere behandelaar (4-2016).
27 juni 2019, het in de tussenuitspraak geconstateerde gebrek niet heeft hersteld.
- interventieadvies van A. Reus van 18 februari 2016;
- het rapport van Skils ;
- een brief van Wendy Bosman , GZ-psycholoog, van 30 januari 2018;
- een brief van C. Rompas en B. Beenackers , psycholoog en GZ-psycholoog, van 26 maart 2018;
- een brief van [huisarts] , huisarts, van 6 februari 2019.
Kan uit de overgelegde medische informatie worden afgeleid dat betrokkene als gevolg van zijn psychische problematiek de ontoelaatbaarheid van zijn gedrag niet kon inzien en niet overeenkomstig kon handelen?
1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting en 0,5 punt voor het indienen van een schriftelijke zienswijze na een bestuurlijke lus met een waarde per punt van € 512,- en een wegingsfactor 1).
Beslissing
- vernietigt het bestreden besluit;
- herroept het primaire besluit en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde bestreden besluit;
- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 170,- aan eiser te vergoeden;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 2.304,-.
J. Woestenburg, leden, in aanwezigheid van mr. L.Y. Wong, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 19 december 2019.