De werknemer trad in 2013 in dienst bij de werkgever en kreeg in 2015 een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd met een concurrentiebeding. In 2017 werd haar functie gewijzigd naar behandelcoördinator met meer verantwoordelijkheden en een loonsverhoging. In 2018 zegde zij haar arbeidsovereenkomst op om elders te gaan werken, waarna de werkgever het concurrentiebeding inroept.
De werknemer stelde dat het concurrentiebeding niet rechtsgeldig was omdat haar functie ingrijpend was gewijzigd en het beding daardoor zwaarder ging drukken. Subsidiair stelde zij dat het beding onbillijk was omdat haar nieuwe werkzaamheden niet concurrerend zijn en buiten het geografisch bereik vallen.
De kantonrechter oordeelde dat de functiewijziging niet ingrijpend genoeg was om het concurrentiebeding opnieuw te laten overeenkomen. Wel was het aannemelijk dat de werknemer onbillijk werd benadeeld door het beding, omdat de werkgever haar belang onvoldoende had onderbouwd en de werknemer een positieverbetering had. Daarom werd het concurrentiebeding geschorst totdat de bodemrechter uitspraak doet. Tevens werd de werkgever veroordeeld tot betaling van wettelijke verhoging, rente over achterstallig loon en proceskosten.