Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
1.De procedure
2.Het geschil en de beoordeling daarvan
primair:
subsidiairen
meer subsidiair:
Rechtbank Midden-Nederland
De eiseres trad per 15 augustus 2019 in dienst bij de gedaagde maatschap als advocaat met een arbeidsovereenkomst van één jaar inclusief een proeftijd van één maand. Tijdens de proeftijd werd het functioneren van de eiseres als onvoldoende beoordeeld. De arbeidsovereenkomst werd binnen de proeftijd opgezegd, waarna partijen een nieuwe arbeidsovereenkomst voor vier maanden sloten zonder proeftijd.
De eiseres stelde primair dat het proeftijdbeding nietig was omdat de totale proeftijd feitelijk vijf maanden zou bedragen, en dat haar arbeidsovereenkomst daardoor tot augustus 2020 zou doorlopen. Subsidiair stelde zij onrechtmatig handelen van de werkgever wegens misbruik van bevoegdheid en strijd met goed werkgeverschap.
De rechtbank oordeelde dat het proeftijdbeding van één maand rechtsgeldig was en dat de opzegging binnen de proeftijd correct was verlopen. De nieuwe arbeidsovereenkomst was een zelfstandige overeenkomst zonder proeftijd. De werkgever had een redelijke grond om het tijdelijke contract niet te verlengen vanwege onvoldoende functioneren van de eiseres. Er was geen sprake van onrechtmatig handelen of ontoelaatbare druk.
De vorderingen van de eiseres werden afgewezen en zij werd veroordeeld tot betaling van de proceskosten aan de zijde van de gedaagde.
Uitkomst: De vorderingen van eiseres worden afgewezen en zij wordt veroordeeld tot betaling van de proceskosten.