ECLI:NL:RBMNE:2020:2806
Rechtbank Midden-Nederland
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling loonsanctie wegens onvoldoende re-integratie-inspanningen door werkgever
Deze bestuursrechtelijke zaak betreft een loonsanctie opgelegd aan een werkgever wegens onvoldoende re-integratie-inspanningen voor een zieke werkneemster. De werkneemster was sinds oktober 2016 ziek gemeld en werkte deels en later volledig, maar viel in september 2017 weer uit. Na beëindiging van het dienstverband in oktober 2017 vond geen re-integratie meer plaats.
Verweerder legde op 17 oktober 2018 een loonsanctie op omdat er re-integratiekansen waren gemist en weigerde op 4 december 2018 het verzoek tot bekorting van deze loonsanctie. De werkgever maakte bezwaar en stelde onder meer dat de besluiten niet aan de juiste werkgever waren gericht en dat de loonsanctie onterecht was omdat de re-integratieperiode eindigde bij de WIA-aanvraag.
De rechtbank oordeelde dat de besluiten wel aan de juiste werkgever waren gericht en dat de termijnoverschrijding bij het bezwaar verschoonbaar was. Medische rapporten toonden aan dat vanaf juni 2018 re-integratiekansen waren en dat de werkgever onvoldoende inspanningen had verricht. Ook tijdens het bekortingsverzoek waren de re-integratie-inspanningen onvoldoende. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en bevestigde de loonsanctie en de afwijzing van het bekortingsverzoek.
Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en bevestigt de loonsanctie wegens onvoldoende re-integratie-inspanningen.