ECLI:NL:RBMNE:2020:3029
Rechtbank Midden-Nederland
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Werkgeversberoep tegen vaststelling eerste arbeidsongeschiktheidsdag bij ZW-uitkering
In deze bestuursrechtelijke zaak staat centraal of de eerste dag van arbeidsongeschiktheid van een werknemer die een Ziektewetuitkering (ZW) ontvangt, juist is vastgesteld. Werkgever, die eigenrisicodrager is, stelt dat de werknemer al vóór haar indiensttreding arbeidsongeschikt was en dat de werkhervatting een mislukte poging was. De werknemer meldde zich ziek op 3 juli 2017, terwijl het dienstverband op 14 juni 2017 begon.
De rechtbank toetst het beroep aan het wettelijk beoordelingskader, waarbij de werkgever de bewijslast draagt om aannemelijk te maken dat de arbeidsongeschiktheid vóór het dienstverband lag. Verweerder, het UWV, ging uit van 3 juli 2017 als eerste arbeidsongeschiktheidsdag. De verzekeringsarts bezwaar en beroep motiveerde dat de klachten op die dag zodanig waren dat de werknemer haar functie niet kon uitoefenen, terwijl eerder aanwezige klachten niet automatisch tot arbeidsongeschiktheid leidden.
De werkgever bracht een medisch rapport in dat een ruimere interpretatie van arbeidsongeschiktheid voorstelde, maar de rechtbank vond dit onvoldoende onderbouwd om het standpunt van verweerder te weerleggen. De rechtbank concludeert dat de werkgever niet aannemelijk heeft gemaakt dat de arbeidsongeschiktheid vóór het dienstverband lag en verklaart het beroep ongegrond.
Uitkomst: Het beroep van de werkgever tegen de vaststelling van de eerste arbeidsongeschiktheidsdag is ongegrond verklaard.