ECLI:NL:RBMNE:2020:3881
Rechtbank Midden-Nederland
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- S.G.M. Buys
- Rechtspraak.nl
Ongegrond beroep tegen terugvordering bijstand wegens erfenis
Eiser ontving vanaf 24 september 2015 bijstand. Na het overlijden van zijn vader in 2013 kreeg zijn moeder het vruchtgebruik over het vermogen, waardoor eiser pas na het overlijden van zijn moeder in 2018 daadwerkelijk over zijn erfdeel kon beschikken. Eind 2018 ontving eiser een erfenis van € 60.000.
Verweerder stelde op 11 oktober 2019 een vermogensoverschrijding vast en vorderde op 31 oktober 2019 een bedrag van € 26.420,39 terug over de periode van bijstand. Eiser maakte bezwaar, dat ongegrond werd verklaard. Tegen dit besluit stelde eiser beroep in.
De rechtbank oordeelt dat de terugvordering terecht is gebaseerd op artikel 58, tweede lid, aanhef en onder f, van de Participatiewet, dat ook aanspraken omvat waarop nog niet feitelijk kan worden beschikt. De aanspraak op het erfdeel ontstond bij overlijden vader in 2013, zodat terugvordering over de gehele bijstandsperiode mogelijk is.
Eisers verweer dat terugvordering onterecht is omdat hij zijn inlichtingenplicht niet schond en verweerder hem niet waarschuwde, faalt. Verweerder voert een redelijk beleid en kan slechts bij dringende redenen afzien van terugvordering, die in deze zaak niet zijn aangetoond.
Het beroep wordt ongegrond verklaard en er is geen aanleiding voor proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het beroep tegen de terugvordering van bijstand wegens ontvangst van een erfenis wordt ongegrond verklaard.