Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
uitspraak van de meervoudige kamer van 13 oktober 2020 in de zaak tussen
Procesverloop
Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
Eiseres stelt dat verweerder de stappen 2, 3 en 4, zoals bedoeld in de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van 21 maart 2018, [1] onvoldoende kenbaar heeft gevolgd. Hierdoor is het bestreden besluit onzorgvuldig tot stand gekomen en ondeugdelijk gemotiveerd. Volgens eiseres heeft verweerder haar beperkingen en zorg/ondersteuningsbehoefte niet volledig en ook niet concreet (naar aard en omvang) in kaart gebracht.
Daarnaast mist het advies van Treve een medische onderbouwing voor het standpunt dat de hulphond in haar geval primair een medisch en therapeutisch doel dient. In dit verband verwijst eiseres naar de (tussen)uitspraken van de rechtbank Noord-Holland van 18 april 2019,
11 oktober 2019 en van 27 juni 2019 [2] en de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van
24 juni 2019. [3] Ter zitting heeft eiseres verwezen naar de tussenuitspraak van de rechtbank Den Haag van 23 juli 2020. [4] Verder stelt eiseres dat het advies van Treve niet inzichtelijk maakt welke informatie is uitgewisseld en dat verweerder, gelet op haar complexe medische situatie, een specifiek deskundig oordeel en advies had moeten opvragen.
Ter zitting heeft verweerder aangevoerd dat op eiseres een inlichtingenplicht rust en dat zij voldoende in de gelegenheid is gesteld om alle gegevens en bescheiden te verschaffen die voor de beslissing op de aanvraag nodig zijn. Daaruit zijn geen andere beperkingen naar voren gekomen dan al in het advies van Treve zijn genoemd. Verder heeft verweerder aangevoerd dat Berghuis en Roukema voldoende deskundig zijn om de stukken van de behandelaren van eiseres te beoordelen.
op grond van artikel 3:2 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) op verweerder een onderzoeksplicht rust en dat anderzijds op grond van artikel 4:2, tweede lid, van de Awb eiseres een informatieverplichting heeft. [5]
“Uit de verkregen informatie tijdens het onderzoek komt naar voren dat blh. ondersteuning wenst bij de volgende activiteiten, het is de bedoeling dat zij samen met de hulphond het volgende bereikt:
- De hond kan er aan bijdragen dat zij spiegelend gedrag laat zien en kan zo de opbouw van stress herkennen in fysieke uitingen bij blh. en dit onder de aandacht brengen, bewust van maken en afleiden. Zo wordt het stress niveau verlaagd en meer stabiel, wat bijdraagt aan het meer zelfstandig ondernemen van activiteiten;
- De hond is in de nacht aanwezig in de slaapkamer voor het signaleren van nachtmerries. De hond leidt op dat moment af, door te likken, zo kan blh. de angst meer loslaten.
- De aanwezigheid van de hond creëert een ritme in de uitvoering van de dagelijkse activiteiten;
- De hond kan mensen ervan weerhouden contact (middels aanraking en vragen) met blh. te hebben, als blh. zich buiten bevindt en een dissociatie heeft om zo te voorkomen dat de klachten toenemen;
- Medicatie aanreiken.
- Synaeda van 17 augustus 2018;
2) De behandelend psycholoog, mevrouw [C] ;
In bezwaar heeft eiseres een stuk overgelegd van:
3) Klinisch psycholoog [D] ( [D] ) van 5 maart 2019;
4) Op het stuk van [D] hebben Berghuis en Roukema gereageerd (processtuk 105);
Heeft verweerder vastgesteld welke beperkingen eiseres in de zelfredzaamheid en participatie ondervindt? (Stap 2)
in rechtsoverweging 6. weergegeven, blijkt dat verweerder de beperkingen van eiseres in de zelfredzaamheid en participatie in kaart heeft gebracht. Verweerder heeft uit de door eiseres aangeleverde informatie en haar toelichting bij de aanvraag kunnen concluderen dat zij als gevolg van haar aandoeningen (angststoornis, stemmingsstoornis en psychiatrische problematiek) beperkingen ondervindt om naar buiten te gaan en aan de maatschappij deel te nemen (waaronder zelfstandig boodschappen doen, buiten wandelen en sociale contacten aangaan). De rechtbank is verder van oordeel dat verweerder in de besluitvorming en het bestreden besluit voldoende is ingegaan op wat eiseres over haar beperkingen naar voren heeft gebracht en aan informatie heeft verstrekt. Daarbij neemt de rechtbank het volgende in aanmerking.
16 augustus 2018 heeft aangegeven dat zij last heeft van faalangst, dat zij moeite heeft om mensen te vertrouwen, dat zij te hoge eisen aan zichzelf stelt en dat zij onvoldoende slaapt en daardoor gebrek aan energie heeft. Verder heeft eiseres de wens uitgesproken om volwaardig te participeren in de samenleving, in de zin van functioneren in een baan en bijvoorbeeld het opbouwen van een sociaal netwerk en vriendschappen.
“Naar aanleiding van de verkregen informatie kan gesteld worden dat de ondersteuningsvragen en die genoemd worden een medisch of therapeutisch doel dienen. Nader onderzoek t.a.v. de behandeling, zie medisch advies, heeft geen wijziging gebracht in de conclusie. Er kan niet gesteld worden dat blh. is uitbehandeld en dat haar ondersteuningsvraag niet zal afnemen.Uit verkregen informatie tijdens het onderzoek komt naar voren dat de hond moet zorgen voor vermindering van angsten middels signalering en een gevoel van veiligheid moet creëren zodat blh. in staat is te participeren. De hond kan daardoor aangemerkt worden als een therapeutisch hulpmiddel, daar het verminderen van angsten een behandeldoel is. De hond is niet in staat problemen op te lossen, besluiten te nemen, dingen voor- en na te bespreken of de begeleiding te evalueren met blh. De aanpak van de beperkingen zelf, het herstel of het voorkomen van verslechtering, is geen Wmo-taak.Dat therapeutische middelen mensen in staat stellen (weer) zelfstandig te functioneren betekent niet dat dat er daardoor aanspraak bestaat op een Wmo voorziening. (…)
Daarbij acht de rechtbank relevant dat Berghuis en Roukema zijn ingeschakeld om de medische stukken van eiseres te beoordelen en dat verweerder in het bestreden besluit ook heeft gemotiveerd dat en waarom zij over de benodigde deskundigheid beschikken om tot een oordeel te komen over het functioneren en de benodigde noodzakelijke voorzieningen of ondersteuning. Verder blijkt uit de stukken waarop het advies van Treve is gebaseerd (zie rechtsoverweging 7) dat Berghuis intercollegiaal overleg heeft gehad met diverse collega’s (processtuk 106). Dat daarbij niet in detail is weergegeven wat er in dat overleg is besproken, betekent niet dat het advies van Treve onzorgvuldig tot stand is gekomen e evenmin dat Berghuis en Roukema niet over de benodigde deskundigheid beschikken.