Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de meervoudige kamer van13 oktober 2020 in de zaak tussen
Procesverloop
22 september 2016 om zijn vastgestelde PTSS te laten erkennen als beroepsziekte afgewezen. Eiser heeft hiertegen op 24 januari 2017 bezwaar gemaakt.
Beslissing
- vernietigt het bestreden besluit;
- verklaart het beroep tegen het niet tijdig nemen van een beslissing op bezwaar gegrond;
- stelt vast dat verweerder als gevolg van het niet tijdig beslissen op bezwaar een dwangsom als bedoeld in artikel 4:17 van Pro de Awb heeft verbeurd van in totaal € 580,-;
- veroordeelt verweerder tot betaling van € 262,50 aan proceskosten.
Overwegingen
Indien de indiener geen keuze maakt voor één van de hierboven genoemde drie opties, zal de commissie zich onthouden van advies op grond van onvoldoende onderbouwing van de PTSS diagnose.(…) “.
Proceskosten
€ 525,- en een wegingsfactor 1). Verder komen vergoeding in aanmerking de kosten die eiser voor het opstellen van de second opinion door Psytrec heeft moeten maken. Eiser zal hiervoor nog de factuur van Psytrec naar verweerder sturen.
10 december 2018 en de daarbij behorende feiten en omstandigheden weergegeven. Eiser
heeft de juistheid van deze weergave niet weersproken.
Vervolgens verzoekt eiser verweerder op 1 juni 2018 om binnen zes weken, dus uiterlijk op 12 juli 2018, een beslissing op bezwaar te nemen. Vanwege de zomervakantie heeft de hoorzitting bij de bezwaaradviescommissie pas op 21 september 2018 plaatsgevonden. Gelet op deze gang van zaken is de rechtbank van oordeel dat eiser verweerder niet onredelijk laat in gebreke heeft gesteld door op 31 oktober 2018 opnieuw in gebreke te stellen. Het bestreden besluit van 10 december 2018 is niet binnen twee weken na de datum van de ingebrekestelling genomen. Verweerder heeft dus niet alsnog tijdig beslist op het bezwaar van eiser. Het beroep, gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit, is gegrond.