ECLI:NL:CRVB:2014:2016

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
5 juni 2014
Publicatiedatum
13 juni 2014
Zaaknummer
13-2806 AW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 EVRMArt. 8:4 Awb (oud)Art. 49d ARARAmbtenarenwet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling besluit geen vervolgaanstelling wegens onvoldoende basis voor samenwerking

Appellante was gedetacheerd bij een onderdeel van haar werkgever en zou overgaan naar een andere dienst binnen die organisatie. Na langdurige afhoudende houding en negatieve ervaringen met betrekking tot de overgang, heeft het bestuur besloten geen vervolgaanstelling te verlenen wegens onvoldoende basis voor samenwerking.

Appellante voerde onder meer schending van artikel 6 EVRM Pro aan, maar de Raad oordeelde dat zij een eerlijke behandeling had gekregen. De Raad bevestigde dat het bestuursorgaan beoordelingsvrijheid heeft bij benoemingsbesluiten, met terughoudende rechterlijke toetsing.

Gezien de negatieve houding van appellante en het gebrek aan vertrouwen na een gesprek met het bestuur, was het besluit tot geen aanstelling gerechtvaardigd. Het verzoek tot schadevergoeding werd afgewezen en de aangevallen uitspraak van de rechtbank werd bevestigd.

Uitkomst: Het besluit om appellante geen vervolgaanstelling te verlenen wordt bevestigd en het verzoek tot schadevergoeding wordt afgewezen.

Uitspraak

13/2806 AW
Datum uitspraak: 5 juni 2014
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Nederland van
15 april 2013, 12/2524 AW (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[Appellante] te [woonplaats](appellante)
de[naam onderdeel]
PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. W.E. Pors, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Namens de[naam onderdeel] heeft mr. S. van Waegeningh, advocaat, een verweerschrift ingediend.
Appellante heeft nadere stukken ingezonden.
Het onderzoek ter zitting heeft, gevoegd met de zaak 12/3182 AW, plaatsgevonden op
13 maart 2014. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Pors. De[naam onderdeel] heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. Van Waegeningh en
mr. R.H.M. Jansen. In de zaak 12/3182 AW wordt heden afzonderlijk uitspraak gedaan.

OVERWEGINGEN

1.
Op 1 januari 2013 is de Wet aanpassing bestuursprocesrecht (Stb. 2012, 682) in werking getreden. Met deze wet zijn wijzigingen in onder meer de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en de Beroepswet aangebracht. Op grond van het overgangsrecht blijft op deze zaak het recht van toepassing, zoals dat gold vóór 1 januari 2013.
1.1.
Appellante was vanaf 1 oktober 2007 in dienst bij de [naam werkgever] 18 uur per week als [naam functie A.]en voor 18 uur per week als [naam functie B.] in algemene dienst en vanaf 1 mei 2008 als landelijk
[naam functie C.] voor 36 uur per week.
1.2.
Van 1 januari 2009 tot 1 januari 2010 was appellante voor 36 uur gedetacheerd bij de[naam onderdeel] als [naam functie B.] bij het [naam dienst] ([dienst]). De[naam onderdeel] heeft op 4 november 2009 besloten dat de managementopleiding onderdeel vormt van het beleid waarvoor de[naam onderdeel] de kaders vaststelt en dat de werkzaamheden die appellante op detacheringsbasis verrichtte per 1 maart 2010 zullen worden overgeheveld naar het [Naam dienst B.]([dienst B.]). De [dienst B.] is een dienst van de[naam onderdeel]. Het bestuur van de [Naam onderdeel B.] en de[naam onderdeel] hebben op 14 januari 2010 een detacheringsovereenkomst opgemaakt voor de werkzaamheden van appellante van 1 januari 2010 tot 1 maart 2010. In deze overeenkomst is in artikel 7 vermeld Pro dat de werkzaamheden die appellante tijdens haar detachering uitvoert, overgaan naar de [dienst B.] en dat het uitgangspunt hierbij is dat appellante vanuit de [Naam onderdeel B.] zal overgaan naar de [dienst B.].
1.3.
Appellante heeft zich met ingang van 16 februari 2010 ziek gemeld. De bedrijfsarts heeft met appellante gesprekken gevoerd, onder meer op 8 april 2010. Vervolgens heeft appellante in een e-mail van 21 april 2010 aan het hoofd Personeel en Organisatie van de[Naam onderdeel B.](hoofd P&O), onder verwijzing naar het advies van de bedrijfsarts, bericht dat zij met ingang van 19 april 2010 weer beschikbaar is om te werken en een passende werkplek zoekt die goed bereisbaar is.
1.4.
Bij besluit van 25 mei 2010 heeft het bestuur van de [Naam onderdeel B.] appellante op grond van artikel 49d van het Algemeen Rijksambtenarenreglement (ARAR) aangewezen als herplaatsingskandidaat. Hieraan is ten grondslag gelegd dat het werk van appellante is verplaatst naar de [dienst B.] en aan haar een passende functie van [naam functie D.]bij de [dienst B.] wordt geboden. Daarbij is appellante verzocht zich in verbinding te stellen met de voorzitter van het college van bestuur van de [dienst B.] (voorzitter).
1.5.
Op 2 juni 2010 hebben appellante en de toenmalige gemachtigde van appellante een gesprek gevoerd met de voorzitter en het hoofd HRM van de [dienst B.] (hoofd HRM). Van dit gesprek is door de voorzitter een verslag opgemaakt. Bij e-mail van 3 juni 2010 heeft appellante aan de voorzitter en het hoofd HRM laten weten graag op maandag 7 juni 2010 bij de [dienst B.] te willen starten. Bij e-mail van 4 juni 2010 heeft appellante haar bereidheid bij de [dienst B.] te starten aan het hoofd P&O kenbaar gemaakt.
1.6.
Bij besluit van 18 juni 2010 heeft de voorzitter appellante te kennen gegeven dat er onvoldoende basis is om de aanvankelijk beoogde overkomst naar de [dienst B.] door te zetten. Hieraan is, kort samengevat, het volgende ten grondslag gelegd. Het college van bestuur was al vanaf eind januari 2010 ernstig teleurgesteld in appellante vanwege haar negatieve houding, die vooral tot uitdrukking is gekomen in haar weigering om Zutphen als standplaats te aanvaarden. Het gesprek op 2 juni 2010 heeft er vervolgens niet toe geleid dat er voldoende vertrouwen is ontstaan dat een vruchtbare samenwerking met appellante mogelijk is.
1.7.
Na bezwaar heeft de[naam onderdeel] het besluit van 18 juni 2010 gehandhaafd bij besluit van 1 juni 2012 (bestreden besluit).
2.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
3.
Appellante heeft zich op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.
4.
De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.
Appellante wordt niet gevolgd in haar standpunt dat artikel 6 van Pro het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden is geschonden. Er is geen enkele aanwijzing dat appellante bij de [dienst] geen eerlijke behandeling door een onafhankelijke en onpartijdige rechter heeft gehad.
4.2.
Op grond van artikel 8:4, aanhef en onder d, van de Awb (oud) kan - voor zover hier van belang - geen beroep worden ingesteld tegen een besluit tot benoeming of aanstelling, tenzij beroep wordt ingesteld door een ambtenaar als bedoeld in artikel 1 van Pro de Ambtenarenwet als zodanig, hun nagelaten betrekkingen of hun rechtverkrijgenden.
4.3.
Appellante was vanuit haar aanstelling bij de [Naam onderdeel B.] vanaf 1 januari 2009 gedetacheerd bij de[naam onderdeel]. De[naam onderdeel] heeft als inlenend orgaan aan appellante de vervulling van de functie van [naam functie B.] opgedragen. Volgens vaste rechtspraak van de Raad (11 november 2004, ECLI:NL:CRVB:2004:AR6912) dient die opdracht, gegeven de aard en inhoud daarvan, op één lijn gesteld te worden met een tijdelijke aanstelling. Appellante heeft aldus gedurende de detachering, naast haar ambtelijke rechtsverhouding met het bestuur van de [Naam onderdeel B.], ook een tijdelijke ambtelijke rechtsverhouding met de[naam onderdeel] verkregen. Appellante is, gelet op die tijdelijke aanstelling en de intentie van de[naam onderdeel] om appellante een vervolgaanstelling te verlenen, als ambtenaar belanghebbende bij het besluit van de[naam onderdeel] om haar geen aanstelling te verlenen.
4.4. Bij zo’n besluit heeft een bestuursorgaan beoordelingsvrijheid, wat meebrengt dat de toetsing door de rechter terughoudend is. Die beoordelingsvrijheid is in dit geval enigermate beperkt door de intentie van de[naam onderdeel] om appellante te laten overgaan naar de [dienst B.]. Dit betekent echter niet dat de[naam onderdeel] niet in redelijkheid heeft kunnen besluiten aan appellante geen aanstelling te verlenen. Hierbij is van belang dat appellante zich lange tijd afhoudend heeft opgesteld tegenover de overgang naar de [dienst B.] in Zutphen, hetgeen leidde tot teleurstelling en aarzelingen bij het college van bestuur van de [dienst B.]. Uit het verslag van het gesprek op 2 juni 2010 - de Raad heeft geen reden aan de juistheid ervan te twijfelen - volgt dat appellante tijdens dat gesprek de aarzelingen van het college van bestuur geenszins heeft kunnen wegnemen. Appellante heeft in dat gesprek onder meer naar voren gebracht zich genoodzaakt te hebben gevoeld een belangenbehartiger in de arm te nemen vanwege haar negatieve ervaringen in het kader van haar overkomst naar de [dienst B.]. Ook heeft appellante te kennen gegeven te willen opkomen voor haar eigen belangen en zich niet te willen laten inperken door de [dienst B.] of anderen. Onder die omstandigheden heeft het college van bestuur van de [dienst B.] het standpunt mogen innemen dat er onvoldoende basis was voor een vruchtbare samenwerking. Het college van bestuur van de [dienst B.] heeft zich eveneens op het standpunt mogen stellen dat de na het gesprek van 2 juni 2010 geuite bereidverklaring van appellante om alsnog haar werkzaamheden voor de [dienst B.] te verrichten, onvoldoende was om dit gebrek aan vertrouwen te herstellen.
4.5.
Uit het voorgaande volgt dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd. Het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade wordt afgewezen.
5.
Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep
- bevestigt de aangevallen uitspraak;
- wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade af.
Deze uitspraak is gedaan door E.J.M. Heijs als voorzitter en C.H. Bangma en B. Barentsen als leden, in tegenwoordigheid van B. Rikhof als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 5 juni 2014.
(getekend) E.J.M. Heijs
(getekend) B. Rikhof
ew