ECLI:NL:RBMNE:2020:5200
Rechtbank Midden-Nederland
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Voorlopige voorziening inzake doorlopende Wlz-verzekering en zorgverzekering
Verzoeker, na enkele jaren in Zwitserland gewerkt te hebben, diende een aanvraag in voor onderzoek naar zijn verzekering voor de Wet langdurige zorg (Wlz). Verweerder stelde aanvankelijk vast dat verzoeker vanaf 4 maart 2020 verzekerd was, wat partijen als foutief erkennen. Na bezwaar stelde verweerder vast dat verzoeker verzekerd was van 1 januari 2020 tot en met 13 maart 2020. Dit leidde ertoe dat verzoeker geen zorgverzekering kon afsluiten vanaf 14 maart 2020.
Tijdens de zitting, gehouden via Skype, erkenden partijen dat verzoeker doorlopend verzekerd was vanaf 1 januari 2020, ook na 13 maart. Toch lukte het verzoeker niet een zorgverzekering af te sluiten vanwege de formulering van het bestreden besluit, dat een einddatum van 13 maart 2020 vermeldde. Dit leidde ertoe dat de zorgverzekeraar de zorgverzekering beëindigde per die datum.
De voorzieningenrechter oordeelt dat verweerder een nieuw besluit moet nemen waarin wordt vastgesteld dat verzoeker vanaf 1 januari 2020 doorlopend verzekerd is voor de Wlz. Verweerder wordt opgedragen dit binnen twee weken te doen. Tevens wordt verweerder veroordeeld tot vergoeding van het griffierecht en proceskosten van verzoeker. Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.
Uitkomst: Verzoek om voorlopige voorziening wordt toegewezen en verweerder wordt opgedragen binnen twee weken een besluit te nemen dat verzoeker vanaf 1 januari 2020 doorlopend verzekerd is voor de Wlz.