Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
uitspraak van de voorzieningenrechter van 28 december 2020 in de zaak tussen
[verzoeker], te [woonplaats] , verzoeker (gezamenlijk: verzoekers)
(gemachtigde: mr. A.M. Schotte),
Rechtbank Midden-Nederland
De burgemeester van Utrecht heeft besloten een woning te sluiten voor zes maanden vanwege de vondst van 32,5 liter amfetamine-olie en bijna 500 gram hasj tijdens een politiecontrole op 30 juni 2020. Verzoekers, eigenaar en bewoner van de woning, maakten bezwaar en vroegen de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening.
Verzoekers betoogden dat de sluiting niet noodzakelijk was vanwege het tijdsverloop van bijna zes maanden tussen controle en sluiting, het ontbreken van overlast en het feit dat zij niets konden worden verweten. De zoon van verzoekster werd als verdachte aangemerkt, maar woont feitelijk elders en had geen eigen kamer in de woning.
De voorzieningenrechter oordeelde dat de burgemeester bevoegd was en het besluit in redelijkheid kon nemen. Het aantreffen van handelshoeveelheden harddrugs rechtvaardigt sluiting, ook zonder overlast. De woning speelde een rol in de drugshandel, mede door de betrokkenheid van de zoon. Het tijdsverloop was verklaarbaar door zorgvuldig onderzoek. Verzoekers hadden redelijkerwijs kennis kunnen hebben van de drugs in de woning.
De belangen van verzoekers wogen niet zwaarder dan het belang van sluiting. Er waren geen bijzondere omstandigheden die de sluiting onevenredig maakten. De voorzieningenrechter zag geen reden voor een minder ingrijpende maatregel of voorlopige voorziening en wees het verzoek af.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen de sluiting van de woning wordt afgewezen.